Lichte paniek op afdeling 1c. De gymdocent is te laat, Kevin is met vijf bewoners in het zwembad. "Dat kan niet. Er moet iemand naartoe. Kevin is een medewerker logistiek en veiligheid. Zelfs ik mag niet in mijn eentje op een groep van vijf," zegt Pim. Snel wordt er per telefoon iemand naar het zwembad gedirigeerd.
Het is een beetje hectisch vandaag op de afdeling. Er waren vanmiddag
gesprekken met de leerling-verpleegkundigen, daardoor ligt alles achter op
het schema. Nu is het zes uur geweest, Jan begint aan een portie inmiddels
koude frieten. Pim heeft pasta opgewarmd en eet daarna soep.
Ze
hebben samen avonddienst en zitten in het kantoortje van drie bij vier meter
dat het zenuwcentrum van 1c vormt. Het is werkkamer, eetkamer en
vergaderzaal tegelijk voor de 16 verpleegkundig begeleiders, zoals ze
officieel heten. Ze zijn er gelukkig nooit allemaal tegelijk, want er staan
al bureaus, twee computerschermen, een tafeltje en een keukenblok in
gepropt. Er hangen ansichtkaarten met teksten als: Het is hier geen hotel.
En: I'm a time bomb, waiting to go off.
Vanuit dit hok zwaait
iedere paar minuten wel een keer de deur open en gaat een verpleegkundige de
afdeling op. Naar de woonkamer, een van de slaapkamers, naar de
separeerruimte of naar waar de bewoners, die ze 'cliënten' noemen, hun dag
ook doorbrengen.
Niet dat iedere cliënt daarop kan wachten.
Jan-Jaap bijvoorbeeld meldt zich met een ijzeren regelmaat bij die deur. Een
lange, stramme man van onbestemde leeftijd met een nasaal, hard stemgeluid.
Hij heeft zelf een tafeltje gemaakt voor op zijn kamer en dat is
zoekgeraakt. Jan-Jaap geeft Pim de schuld, ook voor het zoekraken van een
paar kaarsen trouwens. Pim trekt het boetekleed aan. "Ik ga deze week
nog een keer in het magazijn zoeken. En anders maak ik een nieuwe voor je."
Jan-Jaap is een van de negen cliënten die op 1c verblijven. Mannen
en vrouwen die een ernstig misdrijf begaan hebben, moord of een gewelddadige
verkrachting bijvoorbeeld. Het verpleegkundig team zwijgt over de delicten,
maar kent zelf de geschiedenis van de cliënten wel. Dat is noodzakelijk om
hen te kunnen begrijpen en om het risico op agressie beter in te kunnen
schatten.
Geweld lijkt ver weg in de dagelijkse routine van 1c.
Zoals de mensen door de gangen sjokken, vooral bezig met hun volgende
maaltijd en/of sigaret, is het moeilijk voor te stellen dat dit nu die
gevaarlijke tbs'ers zijn waarover Nederland regelmatig in rep en roer is. Ze
hebben vreselijke dingen gedaan, maar ze ogen vooral beroerd.
Het
verpleegkundig team ziet ze dan ook vooral als zieken, zegt Pim: "Het
zijn meest psychoten en schizofrenen. Ze hebben een delict gepleegd vanuit
die ziekte. Ze horen stemmen of denken dat ze aangevallen worden. Dat kan zo
heftig zijn dat ze gevaarlijk worden."
En daar zit hem het
risico in, ook als ze eenmaal veilig in de tbs-kliniek zitten. Met
medicijnen, een zeer gestructureerd dagschema en weinig prikkels blijven ze
wel in het gareel, maar als ze weigeren te slikken, een conflict krijgen met
iemand of wanneer hun psychose door de medicijnen heen 'piekt', kan het
misgaan.
Om die reden blijft bijvoorbeeld de deur open als een
verpleegkundige een cliënt op de kamer bezoekt, zoals nu Pim bij Anton. En
ook daarom gaat Linda, die halverwege haar zwangerschap is, helemaal niet
meer op bezoek bij cliënten in hun kamer.
Anton heeft een
'kamerprogramma', hetgeen inhoudt dat hij er maar een paar keer per dag uit
mag. Op andere tijdstippen komt er een verpleegkundige een kwartiertje bij
hem. Hij kan dan een shaggie roken en een praatje maken. Die
'contactmomenten' liggen allemaal vast en staan genoteerd op een lange lijst
die in het hok van de verpleegkundige ligt. Anton heeft er vandaag elf.
Hij zit er verfomfaaid bij op zijn onopgemaakte bed. Zesentwintig jaar tbs
heeft hem een in-witte gelaatskleur opgeleverd en fors overgewicht, dat
vrijelijk tussen t-shirt en pantalon uit blubbert. Sinds hij een
kamerprogramma heeft staat hij op dieet, en dat schijnt te helpen. Hoewel
Pim nog wel een fles cola naast het bed aantreft.
Anton praat
alsof hij nog maar net vastzit. De grote stad is de oorzaak van al zijn
ellende, die hij verder niet benoemt. Daar kreeg hij verkeerde vrienden en
zo is het allemaal gekomen. "Nee, dat is niks voor mij, een stad. Ik ga
straks gewoon in een dorp wonen." Of dat er ooit van komt is de vraag.
Het gaat niet zo goed met Anton. Anton heeft altijd 'op de groep'
rondgelopen, maar zit nu niet voor niets op een kamerprogramma. Er is iets
is misgegaan.
Als de contactmomenten zijn afgewerkt, is het tegen
tienen. Het wordt rustiger voor Jan en Pim. De meeste cliënten zijn naar
bed, ook Jan-Jaap is ingesloten. Hij is natuurlijk nog wel even bij Pim
langs geweest, in zijn pyjama. Om te vertellen dat hij helemaal niet blij is
met dat zoekgeraakte tafeltje.
"En, wat zijn jullie plannen
voor vandaag?" vraagt Linda de volgende morgen vrolijk. Bij de
zogeheten dagopening zijn drie cliënten komen opdagen. De rest heeft
kennelijk weinig zin in de nieuwe dag.
Ted heeft zijn plan klaar.
Hij gaat voetballen en fitnessen, deelt hij mee. Hij heeft zijn sportkleren
al aan. Dora wil weten hoe laat haar overplaatsing naar een andere afdeling
zal zijn die dag. En Paulo weet het gewoon niet.
Paulo is een nog
jonge bewoner, die eigenlijk in het Huis van Bewaring zit maar nu ter
observatie hier is. Het psychiatrisch rapport dat over hem wordt opgemaakt,
zal meewegen in de straf die de rechter hem nog moet opleggen.
Hij
vindt het maar softies, hier in de tbs-kliniek. "Dat je twee
verschillende kleuren veters in je schoenen hebt zitten en dat het personeel
dan zegt: oh, wat leuk! In het Huis van Bewaring zeggen ze: doe es effe
normaal." Bewaarders in een uniform zijn toch meer zijn ding: "
Hier lijkt het soms wel een missverkiezing." Met zijn mede-cliënten
heeft hij ook al weinig op. Hij vindt ze maar vreemd. Alleen om een potje te
pokeren zoekt hij gezelschap. "Ik associeer me met niemand."
Paulo heeft grote spijt van zijn delict, zegt hij. Vooral vanwege wat hij zijn
ouders ermee heeft aangedaan. Die moeten nu steeds in de krant lezen dat hun
zoon een misdadiger is. Hij wijst naar de stapel kranten en tijdschriften
bij de bank: 'Kijk maar, ik sta er weer in.' Zijn stem klinkt onwillekeurig
ook trots.
De dagopening is nog maar het begin van een hele trits
vergaderingen en overleggen deze donderdag op 1c. Een enkele keer overleggen
de verpleegkundigen met, maar meestal zonder cliënten. En dat allemaal
meestal in dat hok, waar ze ook al met zijn allen lunchen aan een tafeltje
ter grootte van een half bureau.
De verpleegkundigen zijn jong,
meest rond een jaar of dertig. Aanstaande of jonge ouders, kinderen zijn in
ieder geval een populair gespreksonderwerp. Ze hebben de
hbo-verpleegkundigenopleiding gedaan, maar: "Het meeste leer je in de
praktijk."
Zo ook het omgaan met Lucas. Deze cliënt met woest
rastakapsel doet zijn mond amper open en kijkt vooral naar de grond. "
We behandelen hem niet hetzelfde," gooit Ivanka in de groep tijdens het
overleg van half vier. Niet verwonderlijk: Lucas' gedrag is onvoorspelbaar.
Hij heeft volgens een van de verpleegkundigen een 'IQ van nul', regeert heel
instinctief en heeft al eens een ruit ingeslagen.
Kortom: "
Wij noemen hem oninvoelbaar maar we bedoelen eigenlijk dat we bang voor hem
zijn. We moeten over onze angst gaan praten." Klaas krijgt opdracht om
een bijeenkomst te organiseren waarin dit nader besproken kan worden.
De bijeenkomst is nog niet afgelopen of Jan-Jaap staat weer voor de deur. Met
een handvol kaarsen deze keer. Hij wil nog even iets kwijt. "De kaarsen
die weg zijn, zien er net zo uit. Dus als iedereen nou zijn ogen open houdt,
worden ze misschien gevonden en dan heb ik ze terug."
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.
Niet beschikbaar!


Sorteer reacties














