Het bedrijfsleven en universiteiten slaan handen ineen, aangevoerd door het
Eindhovense topinstituut CTMM, om diagnoses eerder te kunnen stellen. Ook
Philips en de Technische Universiteit spelen daarbij een grote rol.
"Wanneer een bepaalde ziekte in de familie voorkomt, kan een familielid
aanleg hebben. Moleculen in het lichaam kunnen daar duidelijkheid over
verschaffen nog voordat de ziekte zich openbaart. Dan kan met gerichte
medicatie worden voorkomen dat iemand ziek wordt", zegt
wetenschappelijk directeur Peter Luijten van CTMM, het moleculair
geneeskundig onderzoeksinstituut in Eindhoven. Philips Research op de High
Tech Campus stond aan de wieg van het topinstituut, waarbij inmiddels alle
Nederlandse universitaire ziekenhuizen en tientallen bedrijven zijn
aangesloten.
Bovendien wordt onderzoek gedaan naar medicijngebruik
op maat. "Nu krijgen patiënten nog vaak een middel dat niet is
toegesneden op de patiënt zelf." Ziekten zouden veel specifieker
bestreden moeten worden, stellen onderzoekers. "Precies meten op welke
plek in het lichaam welk medicijn nodig is. Dat moet in de toekomst mogelijk
worden," zegt Luijten.
Voor universiteiten als de TU/e de
kans om zich te profileren en voor bedrijven als Philips een manier om de
markt te veroveren, is de insteek van CTMM. Zo slaan de TU/e en Philips de
handen ineen om onder meer de kans op hartfalen in kaart te brengen.
Het instituut verricht zelf geen onderzoek maar is de smeerolie tussen het
bedrijfsleven en universiteiten. "We zijn toezichthouder, betrokken bij
onderhandelingen en beheren onderzoeksgeld", zegt zakelijk directeur
Heidi Hamers. "Een belangrijke taak want belangen van universiteiten en
bedrijven verschillen. Daarom moeten we zorgen dat ieders taak en
verantwoordelijkheid is vastgelegd." Het instituut ontving onlangs 150
miljoen euro subsidie voor negen projecten.
CTMM is geen
'subsidiespons' maar let volgens het tweetal streng op de centjes "Wij
werken hier nu met acht mensen en ons doel is niet om dat aantal over een
tijdje te verdubbelen. Het echte werk gebeurt immers bij universiteiten en
bedrijven, daar moet dus ook het geld heen."
In het najaar
gaan de negen projecten van start. Die hebben een looptijd van vijf jaar. "
Niet al het onderzoek zal dan zijn afgerond maar de grote lijnen moeten dan
zichtbaar zijn", zegt Luijten. Daarna is het vooral aan bedrijven om de
toepassingen in de markt te zetten.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.

























