Volledig scherm
Jacob Brussee © ED

Eerselnaar (79) ruimt container vol met zwerfvuil op in Eersel en omstreken

EERSEL - Vastberaden loopt hij op een bankje af. ,,Daar wordt altijd veel rotzooi achtergelaten."Behendig en vliegensvlug prikt Jacob Brussee (79) sigarettenpeukjes van de grond. Even later moet de Eerselnaar bukken om een doornige haag te trotseren. De buit? Een groot aantal roestige blikjes bier van hetzelfde merk. ,,D'r heeft iemand een krat opengetrokken,"merkt hij droogjes op.

Vrijwilliger Brussee heeft inmiddels zijn 500ste vuilniszak met zwerfvuil gevuld in Eersel en omstreken. Ruim een maand voor zijn tachtigste verjaardag op 11 april, zoals zijn missie was. Hij pakt zijn notitieboekje als bewijs: op elke bladzijde heeft Brussee in detail genoteerd hoeveel zakken zwerfvuil hij de afgelopen zes jaar heeft opgehaald, compleet met serienummer voor elke zak, en de locatie. ,,En dat zijn dan zakken van 140 liter. In totaal zo’n 70 kuub bij elkaar: qua grootte te vergelijken met een zeecontainer. En dat heeft deze man dan maar gedaan,” wijst hij stralend naar zichzelf.

Doel
,,Ik had dit doel nodig. Anders verslap je misschien.” Brussee wil ook bijdragen aan een schonere aarde. De belerende vinger zal hij niet snel tevoorschijn halen: liever inspireert hij mensen door zijn daden. Wekelijks neemt hij daarom in zijn Eersel de prikstok ter hand. 
Samen met andere zwerfvuilvrijwilligers kreeg hij er in 2013 al een Speld van Verdienste van de gemeente voor. ,,Iedereen spreekt schande van de grote hoeveelheid zwerfvuil, maar niemand doet iets. Jongeren krijgen altijd de schuld dat ze teveel rotzooi achterlaten, maar die krijgen het goede voorbeeld niet. Laat hun opa’s en oma’s daarom ook mijn hobby oppakken.”

De prikrondes werken voor hemzelf louterend. ,,Weet je hoe ontspannend het is? Je bent lekker buiten, en je hoeft alleen maar na te denken over waar het volgende blikje ligt.” Een broertje dood heeft hij aan bierflesjes die achteloos op straat kapot zijn gegooid. ,,Je wilt niet weten hoe lang ik bezig ben om al die scherven op te rapen.” Ook cellofaantjes van hoestbonbonnetjes wekken zijn ergernis. ,,Die kom je óveral tegen. En die liggen er over honderd jaar gewoon nog.”

Kempen