De behoefte aan bedrijventerreinen is minder groot dan verwacht. Wel moeten overheden investeren in de kwaliteit van de bestaande terreinen.
De onlangs gepresenteerde 'Ondernemersvisie bedrijventerreinen' van de Kamers van Koophandel en de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging BZW heeft geleid tot zeer diverse berichten in de media. Daar hoorden krantenkoppen bij als 'Geen nieuw bedrijfsterrein' en 'Einde aan het hectarefetisjisme'. Daarmee wordt in onze ogen onvoldoende recht gedaan aan onze boodschap. Omdat een fors stuk van onze welvaart wordt verdiend op deze bedrijventerreinen hecht ik eraan om onze beleidsaanbevelingen voor ons provinciebestuur nog eens helder weer te geven.
De discussie over bedrijventerreinen in Brabant gaat over niet meer dan circa 2 procent van de totale ruimte. Die ruimte lijkt niet verder toe te nemen: in of nabij woonkernen gaat er af, aan de rand komt er bij. Op deze terreinen zijn de bedrijven gevestigd die verantwoordelijk zijn voor een fors deel van onze welvaart. Hoge concurrentiedruk noopt deze bedrijven hoge eisen te stellen aan zowel medewerkers als toeleveranciers. Ook de overheid is wat dit betreft een toeleverancier, en wel van ruimte.
Hier kom ik met onze eerste aanbeveling op het gebied van bedrijventerreinenbeleid: er is meer aandacht nodig voor onderhoud en vernieuwing van bestaande bedrijventerreinen. Bedrijven investeren bij voorkeur op hun eigen locatie. Voorwaarde is wel dat ook de provincie en de gemeenten blijven investeren in de kwaliteit van bestaande terreinen om waar nodig de bereikbaarheid te verbeteren en het voorzieningenniveau op peil te houden. Bijvoorbeeld door glasvezel aan te leggen, een verbinding die veel bedrijven nodig hebben om de mondiale concurrentie aan te kunnen. Wist u dat van de 2.000 bedrijventerreinen in ons land er maar 400 over glasvezel beschikken? Ondernemers vinden daarom dat beheer van de terreinen verder geprofessionaliseerd moet worden. Parkmanagement op maat is daarvoor nodig.
Uit onze prognoses blijkt dat er, over heel Brabant gezien, minder ruimte nodig is dan de hectares die nu zijn gepland. Het huidige aanbod is te ambitieus berekend en sluit niet meer aan bij de vraag. Miskend wordt dat 80 procent van de aanvragen uit de eigen gemeente komt. De bovenregionale vraag, of zelfs uit het buitenland, wordt stelselmatig overschat.
Onze tweede aanbeveling is dus om de behoefte zorgvuldiger te ramen. Daar passen wel een paar kanttekeningen bij. Zo duren planningsprocedures vaak lang, en moeten vanuit die optiek wel tijdig nieuwe ruimtes gereserveerd worden. En waar er voor geheel Brabant sprake is van een overaanbod geldt dat niet voor alle gemeenten. Bijvoorbeeld in zowel Helmond als Asten en Someren is volgens onze becijferingen nog wel sprake van een tekort. In de Kempen ontbreekt ruimte voor de kleinere bedrijven.
Onze derde aanbeveling is dat Brabantse gemeenten meer regionaal moeten denken en handelen. Zoals ik eerder aangaf, stellen bedrijven steeds hogere eisen aan hun bedrijfsomgeving. Nieuwe bedrijventerreinen richten zich steeds vaker op een bepaalde groep van bedrijven ('segmenten'): risicovolle, logistieke, high tech enz. Vrijwel geen enkele gemeente kan al die segmenten op eigen houtje bedienen. Dat lukt wel in regionaal verband. Gemeenten moeten daarom bereid zijn om ruimteproblemen samen op te lossen. Kosten en opbrengsten moeten worden gedeeld. De gemeentelijke samenwerking mag niet vrijblijvend zijn en voor de provincie is een regierol weggelegd.
Dan nog een vierde en laatste aanbeveling: pas op voor een overdaad aan campusachtige locaties, locaties voor het 'neusje van de zalm' onder de bedrijven. Het campusconcept moet gereserveerd worden voor de topsectoren, waarvoor een aanbod aan onderwijs en onderzoek cruciaal is. Aansprekende voorbeelden in de regio zijn: High Tech Campus Eindhoven, Automotive Campus Helmond en Groene Campus Helmond.
Door Peter Swinkels, voorzitter van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging (BZW).
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



















