Veebedrijven moeten een lokale binding hebben en passen in hun omgeving. foto Catrinus van der Veen/ANP
Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de veehouderij. Maar als het erop aankomt is het de lokale binding die de schaal bepaalt en de markt die de verduurzaming stuurt.
Afgelopen jaar hebben enkele duizenden mensen in verschillende fora gediscussieerd over de toekomst van de veehouderij in Nederland. Er zijn maar weinig economische sectoren waar zoveel maatschappelijke belangstelling voor is. Dat zie ik als een positief teken, maar het brengt ook een extra verantwoordelijkheid met zich mee.
Er wordt kritisch naar ons gekeken of en hoe wij de verduurzaming realiseren. Uit de maatschappelijke dialoog onder leiding van Hans Alders concludeer ik dat niet de schaalgrootte, maar de mogelijke effecten voor de volksgezondheid en het welzijn van de dieren de belangrijkste thema's zijn. Dat is voor mij geen nieuws, maar de conclusie valt de critici van de Nederlandse veehouderij tegen.
Verduurzaming van de veehouderij is bittere noodzaak om als sector wereldwijd toonaangevend te blijven en om als ondernemer überhaupt een duurzaam perspectief te hebben. In mijn optiek moet de politiek het ondernemerschap en de drive van veehouders niet blokkeren met symboolregelgeving, maar dat juist stimuleren. Alleen door veehouders de mogelijkheden te geven tot bedrijfsontwikkeling, komt de vernieuwing en de verduurzaming echt op gang. De veehouderij kan dan op eigen kracht de actuele maatschappelijke vraagstukken van milieu, klimaat, schaarse grondstoffen, gesloten kringlopen en de voedselvoorziening oplossen.
Politici die menen dat door centraal regels te stellen aan de schaalgrootte van bedrijven de gewenste verduurzaming tot stand komt, maken een grote denkfout.
Wil ik dan de schaalgrootte van bedrijven volledig vrij laten? Ben ik voorstander van mega- en gigabedrijven? Neen. In mijn visie is er geen blauwdruk voor de omvang van een moderne, duurzame veehouderij. De maat van een bedrijf wordt niet bepaald door regels te stellen in Den Haag, maar door wat lokaal past. Dat betekent dus dat niet alles kan op elke locatie.
Welke schaal wel past, hangt van twee factoren af: de specifieke gebiedskenmerken en de sociale binding van de ondernemer met zijn omgeving. Past de beoogde schaalgrootte in het gebied en is er lokaal draagvlak voor bedrijfsontwikkeling, dan staat een gemeentebestuur niets in de weg de vergunning te verlenen.
De afweging over de omvang van een bedrijf hoort niet op rijksniveau, maar lokaal te worden gemaakt. Gemeenten kunnen aan bedrijfsontwikkeling kwaliteitseisen stellen en criteria voor duurzaamheid opnemen in het bestemmingsplan. En uiteraard nemen gemeentebesturen de mogelijke gezondheidseffecten voor omwonenden mee. Veehouders moeten hun eigen toekomst verdienen door nieuwe stallen te bouwen die kwaliteit uitstralen en landschappelijk zijn aangepast aan de karakteristieken van de omgeving. Maar nog veel belangrijker is de lokale binding van de ondernemer. Een moderne veehouder ziet het belang van sociale binding. Het gesprek met de buren, de dialoog met de lokale gemeenschap, met voor- en tegenstanders, is investeren in een duurzame toekomst.
Dat veehouders de handschoen hebben opgepakt, blijkt uit de vele initiatieven voor lokale dialogen. Bijvoorbeeld in de Limburgse Peelgemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas, Nederweert en Leudal. Of de gesprekken die Overijsselse pluimveehouders voeren. En het initiatief Goed Boeren in Kleinschalig Landschap in Noordoost-Twente en het programma Ruimte. In Brabant lopen gebiedsdialogen in Bernheze, Landerd, Oirschot en Cuijk. Belangenorganisaties en overheden werken samen in de Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei.
Overal in veedichte gebieden zie ik positieve ontwikkelingen. Wat nu al gaande is in de veehouderij, is wat Alders (megastallen) en Van Doorn (verduurzaming) opschreven in hun rapporten als wensbeeld. Van Doorn ziet in de verduurzaming van de veehouderij een beperkte rol voor de overheid: de ketenpartijen zijn aan zet. Dat ben ik met hem eens. Verduurzaming is een verantwoordelijkheid van alle schakels in de keten (consument, supermarkt, foodservice, slachterij en veehouder). De overheid heeft in dat proces een bescheiden rol. Veehouders verdienen hun eigen toekomst alleen door sociale binding en een verantwoorde en duurzame bedrijfsvoering. Daarom vind ik dat de Tweede Kamer deze ontwikkelingen moet ondersteunen en het vertrouwen moet hebben in het ondernemerschap van veehouders.
-
De auteur is portefeuillehouder Omgeving bij LTO Nederland.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


















