Bram van der Kolk, Finn Batato, Mathias Ortmann en Kim Schmitz van Megaupload na hun arrestatie. foto David Rowland/EPA
De vrije uitwisseling van informatie botst met economische belangen op internet.
In de VS wist een alliantie van technologiebedrijven en burgers die strijden voor internetvrijheid twee wetsvoorstellen tegen te houden. De Protect IP Act (PIPA) en Stop Online Piracy Act (SOPA) moesten de strijd tegen online schendingen van auteursrechten vanuit het buitenland extra juridische tanden geven.
Omdat het lastig is buitenlandse sites te sluiten, gaven beide voorstellen uitgebreide bevoegdheden om sites door telecomproviders te
laten blokkeren. Die providers zouden het internetverkeer moeten filteren om greep te krijgen op de ip-adressen van waaruit piratenplatforms hun diensten aanbieden. Vooral dat laatste stuitte op protest, omdat het de structuur van het internet zou kunnen aantasten. Het internet zou kunnen veranderen in van elkaar afgesloten netwerken, waarbinnen stevige controle mogelijk is op wie wat waar en wanneer doen in de digitale omgeving: 'Balkanisering van het internet'.
Vrijwel tegelijkertijd bewees de FBI dat al die extra bevoegdheden helemaal niet nodig zijn om een website die op grote schaal auteursrechtinbreuken faciliteert uit de lucht te halen, ook al bevinden de hoofdrolspelers zich in Nieuw- Zeeland.
Vanuit burgerrechtenorganisaties wordt terecht aangevoerd dat het laten filteren en blokkeren van ongewenste sites geen serieuze oplossing is voor nare kwesties als anonieme, door cryptologie afgeschermde kinderpornoplatforms of commerciële uitbating van illegaal verspreide muziek. Politie en justitie moeten investeren in het oprollen van de netwerken, het aanklagen van de hoofdrolspelers en het beperken van de schade en het leed van slachtoffers. Het sluiten van een site en het voor de rechter brengen van de verdachten zet zoden aan de dijk en biedt ook de nodige waarborgen van de rechtsstaat. Filteren en blokkeren levert niet veel meer op dan een kat-en-muisspel, omdat de betreffende sites gemakkelijk van ip-adres wisselen en zich meestal in het verre buitenland bevinden.
Veel ernstiger is dat het filteren en blokkeren moet gebeuren door de providers die ons internetverkeer mogelijk maken. Dat is een vorm van delegatie van de opsporings-
taak aan private partijen, die daar helemaal geen zin in hebben. Het maakt ze verantwoordelijk voor vermeende inbreuken die anderen op hun netwerk maken en uiteindelijk kan het leiden tot een ict-infrastructuur die feitelijk functioneert als inkijkstructuur.
Nu dan ACTA (Anti Counterfeiting Trade Agreement), dat op 26 januari door de EU is ondertekend. ACTA is een handelsverdrag dat ook gaat over commerciële uitbating van illegale uploads. Het Europese Parlement beslist in juni of het verdrag wordt geratificeerd. Ook het Nederlandse parlement moet binnenkort beslissen of ons land zich door de bepalingen van ACTA laat binden. ACTA biedt niet zo veel nieuws voor Europa, maar is ondoorzichtig geformuleerd en biedt daardoor ruimte voor 'het inlezen van ongewenste bevoegdheden'.
Het internet is een vrijplaats voor uitwisseling van informatie, kennis en data. En het is een marktplaats waar grote economische belangenconflicten spelen. Die twee staan niet los van elkaar: de websites Megaupload en The Pirate Bay worden geroemd omdat ze de vrije uitwisseling van creatieve bestanden op grote schaal mogelijk maken. Maar het zijn ook commerciële bedrijven die daar flink aan verdienen. We hoeven de problematiek van auteursrechtschendingen niet te bagatelliseren, maar het is zaak om de vrije, onbespiede toegang tot internet als publiek belang scherp in het vizier te houden. ACTA biedt daarvoor in huidige vorm volstrekt onvoldoende waarborgen.
Door Mireille Hildebrandt, hoogleraar ICT en rechtsstaat aan de Radboud Universiteit (RU).
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties














