Tot de jaren zeventig kende Nederland een sterke kenniseconomie. Daarna hebben we die systematisch afgebroken, stelt Dick Thoenes.
Heeft u het ook gehoord? Nederland moet een 'kenniseconomie' worden! Wat een
belachelijk idee. We zijn nu zo'n dertig jaar bezig geweest om de
kenniseconomie die we hadden systematisch en grondig af te breken.
Tot de jaren zeventig hadden we een sterke kenniseconomie. De industrie
richtte zich op de productie van hoogwaardige materialen en producten, welke
weer gebaseerd was op geavanceerde technische kennis.
Maar toen is
geleidelijk op allerlei terreinen de afbraak begonnen. Het begon met een
systematische aanval van de media op de natuurwetenschappen, eind jaren
zestig. Natuurwetenschappen waren ineens slecht en vies, vooral chemie, want
die verontreinigde het milieu. Dat alle milieuproblemen door chemici werden
opgelost werd er niet bij verteld. En inderdaad is het aantal studenten in
deze richtingen enorm gedaald, hoewel de daling pas goed inzette na 1985.
Een tweede stroming was de 'anti-elitaire' beweging. Het werd door velen
ineens niet meer nodig gevonden om je ergens speciaal voor in te spannen.
Uitblinken was verdacht. Matige prestaties bij de studie waren voldoende. Je
hoefde nergens veel verstand van te hebben, als je er maar over kon
meepraten.
De politici en de media houden ons voor dat meningen
niet gebaseerd hoeven te zijn op inzicht en op kennis van feiten, als ze
maar met veel overtuiging worden verkondigd. De politici hebben kans gezien
om deze opvatting aan het onderwijs op te leggen. Examens moesten
gemakkelijker worden; iedereen had toch recht op een diploma? Het gevolg was
dat je op den duur met uiterst middelmatige prestaties en met weinig kennis
zelfs academische diploma's kon verwerven.
Gelukkig zijn er op
veel plaatsen nog wel leraren die goed onderwijs geven, en er zijn studenten
die uitstekend presteren. Maar er is een cultuur ontstaan waarin kinderen
zich schamen om op school uit te blinken.
Er zijn twee belangrijke
uitzonderingen: de muziek en de sport. Op beide terreinen worden uitstekende
prestaties wel belangrijk gevonden. Maar op bijna alle andere gebieden is
uitblinken ongewenst.
Er is nog een aantal factoren die verder
heeft bijgedragen aan de verslechtering van ons onderwijs. De belangrijkste
is het veel te ver doorvoeren van schoolfusies, waardoor onhanteerbare
instituten zijn ontstaan. Persoonlijke contacten tussen leraren en
leerlingen werden steeds schaarser, leerlingen werden nummers. Vanwege de
organisatieproblemen die zo ontstonden werden er 'managers' aangesteld, die
de relatie tussen de leraren en de leiding verder verstoorden. We weten het
natuurlijk allemaal: een goede school is een kleine school. Dat fusies
economisch gunstiger zouden zijn is een vergissing.
Een andere
kwalijke ontwikkeling is dat leerlingen op een te vroeg moment in de
opleiding moeten kiezen tussen vakken en richtingen, waardoor kinderen op
jonge leeftijd hun toekomstige ontwikkeling vergaand kunnen blokkeren.
Nog erger zijn de herstructureringen van het onderwijs, die elkaar in een
steeds hoger tempo opvolgen. Zij komen nooit voort uit het onderwijs zelf,
maar ze zijn allemaal door de politiek ingefluisterd en in Den Haag achter
de schrijftafel uitgewerkt. Door al die onrust zijn leraren steeds meer tijd
kwijt aan vergaderingen, terwijl het onderwijs zichtbaar achteruitgaat.
Het ergste is wel het idee van 'nieuwe leren', wat er op neer komt dat
leerlingen eigenlijk niets meer hoeven te leren. Behalve praten! Al deze
ontwikkelingen zijn dodelijk voor natuurwetenschap en techniek, waar alleen
de hoogste prestaties tot succes kunnen leiden. Een andere zorgwekkende
factor zijn de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Tot omstreeks 1980
hadden wij in Nederland een hoogwaardige industrie die voor een belangrijk
deel gebaseerd was op onderzoek en ontwikkeling van topkwaliteit. Deze
ondernemingen hadden een visie die je kon samenvatten als: 'wij zijn knapper
en kunnen betere producten maken dan onze concurrenten en wij zullen hen
vóór blijven!'
In de meeste grote ondernemingen is het
roer echter geleidelijk aan omgegooid. Productiebedrijven van hoogwaardige
op research gebaseerde producten werden in snel tempo verkocht, meest aan
buitenlandse firma's. De centra van research en ontwikkeling werden sterk
ingekrompen. De loyaliteit van het personeel werd zwaar op de proef gesteld.
Het personeel weet nu dat ze een grote kans lopen bij een volgende
reorganisatie te worden ontslagen, ook al zijn ze nog zo goed en werken ze
aan producten die vandaag nog strategisch belangrijk zijn. Maar morgen zijn
ze dat misschien niet meer, want een consistente strategie is de moderne
directies helemaal vreemd. Die kijken liefst niet verder dan de prognoses
voor het volgende kwartaal.
We kunnen nu zien dat Nederland ooit
een sterke kenniseconomie had, maar dat daar nu weinig meer van over is. Het
is duidelijk gebleken dat de Nederlanders van nu helemaal geen
kenniseconomie willen! Eerst hebben we de hoogwaardige landbouw en veeteelt
voor een belangrijk deel afgebroken, nu zijn we bezig hetzelfde te doen met
de hoogwaardige industrie. En niemand vraagt zich af waarmee we over 25 jaar
in dit land ons geld zullen verdienen.
- De auteur is emeritus
hoogleraar chemische technologie aan de TU Eindhoven
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties














