In de media werd onlangs een advies van de Onderwijsraad aangekondigd, waarin een 'schaaleffecttoets' voor fusieplannen in basis- en voortgezet onderwijs wordt voorgesteld.
Pas wanneer de overheid het eens is met een voorgenomen fusie zouden fusies
kunnen doorgaan. En dat omdat de schaalvergroting in het onderwijs te ver is
doorgeschoten, en er, als gevolg daarvan, monopolies dreigen te ontstaan. In
de Tweede Kamer schijnt er steun te zijn voor dit aangekondigde advies.
De discussie over schoolgrootte is relevant, met name waar het de kwaliteit
van het primaire onderwijsproces betreft. Belangrijk is echter wel vanuit
welk perspectief de schoolgrootte wordt benaderd.
In Noord-Brabant
zijn momenteel binnen het voortgezet onderwijs zo'n 25 schoolbesturen
actief, die in totaal ongeveer 85 scholen onder hun gezag hebben. Ons
Middelbaar Onderwijs (OMO) is één van die besturen en heeft 45 scholen. Het
onderwijs binnen OMO wordt verzorgd vanuit honderd afzonderlijke
lesgebouwen, verspreid over de diverse steden en het platteland van
Noord-Brabant. Het gemiddelde aantal leerlingen per locatie is 600.
Waar 'Den Haag' OMO wellicht ziet als een groot onderwijsbestuur met
monopolistische trekjes, zien de Brabantse jongeren en hun ouders een grote
diversiteit aan scholen en schooltypes, veelal op fietsafstand van hun
woning. Voor OMO telt het perspectief van deze laatste groep.
Voor
leerlingen en ouders is het belangrijk een school te kunnen kiezen die past
bij de behoefte en wensen van de leerling. Scholen van OMO maken hun eigen
onderwijsbeleid en hebben onder meer hun eigen programma op cultureel en
sportief gebied. De raad van bestuur heeft daarin geen rol, en wil daarin
ook helemaal geen rol hebben.
Schoolbesturen hebben onder meer als
taak de back-office voor hun scholen goed op orde te hebben. En, zoals
aangetoond in meerdere wetenschappelijke onderzoeken: grote schoolbesturen
blijken juist beter te presteren op dit vlak dan kleine. Gevolg hiervan is
dat er veel meer geld beschikbaar is voor het onderwijs op school, voor de
leerling in de klas, voor de docent om zijn primaire taak uit te voeren:
lesgeven en persoonlijk contact hebben met zijn leerlingen. Of anders
gezegd: besturen doen in scholen – scholen doen in onderwijs.
Bij de oprichting van OMO in 1916 was het belangrijkste doel om te komen tot
emancipatie van de katholieken in Noord-Brabant. Het gevolg daarvan was dat
in korte tijd veel katholieke scholen werden gesticht. Door dit beleid is
OMO altijd een groot schoolbestuur geweest. Met name de negentiger jaren
kenmerkten zich als een periode van groei. Deze groei was met name het
gevolg van de politiek ingezette stimulering tot vorming van brede
scholengemeenschappen. De motieven hiervoor waren voornamelijk van
onderwijskundige, deregulerende en financieel-economische aard. Dit was ook
voor OMO de aanleiding om het onderwijsaanbod, dat voornamelijk bestond uit
havo/vwo (lycea) met vbo en mavo uit te breiden. Tussen 1994 en 2008 is het
leerlingenaantal gestegen van ruim 41.000 naar bijna 63.000. Het aantal
personeelsleden steeg in die periode van 3.900 naar 7.000.
Tot op
de dag van vandaag, zien we ons geconfronteerd met bestuursoverdrachten en
fusies. Voornamelijk op verzoek van de overdragende school ziet OMO het als
zijn maatschappelijke plicht om scholen door middel van bestuursoverdracht
aan zijn bevoegd gezag toe te voegen. Vervolgens kan binnen OMO een fusie
tussen scholen – onder hetzelfde bevoegd gezag – aan de orde komen. Om
scholen te kunnen laten profiteren van bestuurlijke schaalgrootte kan, als
alternatief voor een fusie tussen scholen, ook voor scholengroepsvorming
worden gekozen.
OMO streeft altijd naar een samenhangende, goed
gespreide en kwalitatief hoogwaardige structuur van onderwijsvoorzieningen
over de volle breedte van het voortgezet onderwijs in een regio. In deze
gevallen bevordert de fusie tussen scholen de kwaliteit en diversiteit in
het onderwijs.
Bestuurlijke fusie, dat wil zeggen fusie met een
ander schoolbestuur, is bij ons niet aan de orde. Tevens is uitbreiding
nimmer een doel op zich.
In geval van fusie tussen scholen onder
hetzelfde bevoegd gezag zijn de belangen en daarmee de keuzevrijheid van
ouders, personeelsleden en leerlingen reeds voldoende gewaarborgd door de
medezeggenschapsraden.
Wij zien dan ook geen toegevoegde waarde in
een ministeriële instemming met (of uitstel van goedkeuring van) fusie
indien de fusie door het bevoegd gezag of de school wordt voorgesteld en
personeelsleden, leerlingen en ouders daarmee akkoord zijn.
-
Drs. P.J.J. Hendrikse is lid en J.M.C. van Dijk is ambtelijk secretaris van de
raad van bestuur van Ons Middelbaar Onderwijs (OMO.


















