Ruim 150.000 basisschoolleerlingen deden deze week mee aan de Cito-toets. De
uitkomst van de toets speelt met het advies van de basisschool en de
selectiecriteria van de scholen voor voortgezet onderwijs een belangrijke
rol bij de toelating tot het voortgezet onderwijs. Deze doorverwijs- en
selectie-instrumenten zijn niet onfeilbaar. Veel, vooral allochtone kinderen
worden doorverwezen naar een te laag schoolniveau.
Bij de stap naar het voortgezet onderwijs moeten kinderen drie zenuwslopende
hobbels nemen.
De eerste hobbel is het schooladvies naar
aanleiding van diverse schooltoetsen en het oordeel van de leerkrachten op
basis van acht jaar basisschool. We weten hoeveel zaken in het dagelijks
leven verkeerd gaan door communicatieproblemen en inschattingsfouten. Als
één leerkracht een negatief beeld geeft over een jongen in groep 5, wie
voorkomt dan dat dit beeld automatisch meeloopt tot en met groep 8? In
hoeverre start een leerkracht met een open blik of neemt hij voetstoots het
beeld over dat de vorige collega hem aanreikt? Veel kinderen krijgen een
laag schooladvies met als onderbouwing dat hun ouders niet voldoende
toegerust zijn om hen te ondersteunen in het voortgezet onderwijs. Hoe
gekleurd de blik van leerkrachten is, blijkt ook uit het rapport
'Basisschooladviezen en etniciteit' dat door de gemeente Amsterdam in
januari 2007 is gepubliceerd. Allochtone leerlingen die hoog scoren op de
Cito-toets krijgen vaker dan autochtone leerlingen een laag schooladvies.
De tweede hobbel is de prestatiedruk tijdens de Cito-toets. Het moet allemaal
tijdens die drie dagen gebeuren. Als je zenuwachtig bent of je toevallig net
niet lekker voelt, ben je de klos. Verder is het zo dat de toetsen zijn
ontwikkeld door en voor de gemiddelde Nederlander. Alles wat niet in dat
plaatje past, loopt het risico buiten de boot te vallen. Dit geldt ook voor
Nederlandse kinderen uit een zwak sociaal-economisch milieu.
Een
derde hobbel is de ontvangende school die eisen stelt. Bijvoorbeeld een
vwo-school die een minimum Cito-score van 544 eist van nieuwe leerlingen. Op
die manier wil de school de uitvalpercentages laag houden en goede sier
maken op toekomstige voorlichtingsbijeenkomsten. Een kind met 541 heeft dus
een probleem om toegelaten te worden of er worden voorwaarden aan verbonden.
Het kind krijgt voor de eigen bescherming van de school een brief met de
mededeling, dat hij van school af moet als hij het eerste jaar niet haalt.
Wat zijn de effecten van die brief op zijn zelfvertrouwen?
Ik kom
nog veel te veel allochtone jongeren en volwassenen tegen die te laag zijn
doorverwezen en die een onnodig lange weg hebben moeten afleggen (vmbo, mbo,
hbo) om uiteindelijk een universitaire opleiding te halen. Sommigen hadden
voldoende doorzettingsvermogen om die lange weg te volgen. Enkelen kregen
veel steun van hun ouders. Anderen waren minder bevoorrecht. Hierdoor blijft
ontzettend veel potentieel onbenut. Doodzonde!
Het kind moet weer
centraal staan. We moeten op zoek naar de ware talenten van kinderen en hen
uitdagen om de grenzen van hun kunnen te verleggen.
De rol van hun
ouders en leerkrachten, vanwege hun partnerschap in de ontwikkeling van het
kind, is daarbij essentieel. Bij Palet, adviseurs diversiteit, ondersteunen
we ouders en scholen, zodat zij gelijkwaardige gesprekspartners worden
binnen de school. Op die manier wordt de kans op een evenwichtiger advies
vele malen groter. Hierdoor kan de lijn van onterecht lage doorverwijzingen
eindelijk worden doorbroken.
-
De auteur is
onderwijsadviseur van Palet, adviseurs diversiteit.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.




Sorteer reacties














