Iedereen herinnert zich nog wel de felle discussies over de herziening van
het ontslagrecht enkele jaren geleden en de vasthoudende opstelling van
minister Donner toen. Omdat een kabinetscrisis dreigde werd uiteindelijk
besloten tot de instelling van de Commissie Bakker, van wie bijna niemand
meer iets heeft gehoord.
Omdat er in ieder geval politiek iets
moest gebeuren, is in het najaarsoverleg besloten om de ontslagvergoeding
van mensen met een jaarsalaris van € 75.000 of meer te maximeren. Met
dezelfde vasthoudendheid als van weleer stuurt minister Donner nu dit
voorstel - ondanks buitengewoon felle kritiek van de Raad voor de
Rechtspraak en de Raad van State - op een wel heel bijzonder moment naar de
Tweede Kamer.
Het huidige wetsontwerp maximeert de
ontslagvergoeding voor mensen met een jaarinkomen van € 75.000,- of meer tot
één bruto jaarsalaris. De rechter kan alleen daarvan afwijken, als dat in
het gegeven geval tot een onaanvaardbaar lage uitkomst zou leiden. Afwijking
is dus alleen bij zeer grote uitzondering mogelijk.
Werkgever en
werknemer mogen wel onderling een hogere vergoeding afspreken, maar als de
rechter er aan te pas komt, mag hij een hogere vergoeding (opmerkelijk
genoeg) niet toekennen!
Los van allerlei juridisch-technische
onduidelijkheden kan de minister en de sociale partners worden verweten, dat
zij zich schuldig maken aan 'gecultiveerde borrelpraat'.
Allereerst
is opvallend dat de minister - zeker in een tijd waarin de werkloosheid
alleen maar toeneemt - niet met een afgewogen pakket aan maatregelen komt.
De minister komt maar met één maatregel, die bovendien niet effectief zal
blijken te zijn en zal leiden tot rechtsongelijkheid.
Het
wetsontwerp is gebaseerd op de volgende gedachte: mensen met een hoge
opleiding hebben meer kansen op de arbeidsmarkt, mensen met een hoge
opleiding hebben een hoog salaris, dus mensen met een hoog salaris hebben
meer kansen op de arbeidsmarkt. Deze gedachte doet mij denken aan de
redenering: 'Ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn koffer, dus ik pas in
mijn koffer'.
Zoals de Raad van State terecht opmerkt bestaat er
geen vaste relatie tussen de hoogte van opleiding en de hoogte van het
inkomen: niet iedereen met een salaris van € 75.000,- heeft een goede
arbeidsmarktpositie.
Bovendien gaat het bij rechtspraak - anders
dan het kabinet meent - niet om statische ervaringsgegevens, maar om een
beoordeling van wat in het concrete geval redelijk is.
Daarnaast is de grens van € 75.000,- zeer arbitrair. Tot slot kan het
voorstel, ook al afhankelijk van de redenering van de rechter mensen met een
lager inkomen (bijv. € 4500,- met dertiende maand) en een auto van de zaak
raken! Ook leidt dit voorstel tot grote verschillen tussen mensen in vrijwel
gelijke situaties. Wat nu als een werknemer wegens verdiensten een periodiek
erbij krijgt en zijn collega niet en hij daardoor net boven de 75.000 euro
uitkomt?
Ook aan de 'bovenkant' ontstaat rechtsongelijkheid. Alleen
werknemers met zéér hoge inkomens (vanaf € 150.000 en meer) met een zeer
goede arbeidsmarktpositie kunnen doorgaans al over hun exit-regeling
onderhandelen bij hun indiensttreding. Deze vrijheid blijft bestaan. Omdat
afspraken moeten worden nagekomen betekent dit dan ook dat deze hogere
inkomens bij deze regeling buiten schot zullen blijven. Alléén de medewerker
met een inkomen van € 75.000, die niet (op voorhand) in de gelegenheid is om
over zijn ontslagvergoeding afspraken te maken wordt door deze wet getroffen.
Onbegrijpelijk is verder, dat de wetgever kennelijk voor lagere inkomens een
individuele beoordeling wel passend vindt en dat een individuele beoordeling
voor de inkomens boven € 75.000,- in beginsel niet meer nodig is. Ook dat is
in strijd met het rechtsgelijkheidsbeginsel. Iedere burger (rijk of arm)
heeft evenveel recht op maatwerk en een individuele beoordeling
Waar dit voorstel dus tot rechtsongelijkheid leidt, moet het geen wet worden.
Bovendien is deze wet overbodig. Het kabinet beseft onvoldoende dat de
kantonrechters onlangs een nieuwe formule hebben opgesteld, die leidt tot
lagere vergoedingen. De ontslagkosten worden hierdoor al aanzienlijk
ingeperkt.
Nog belangrijker is, dat de nieuwe kantonrechtersformule
juist bij uitstek mogelijkheden biedt om de vergoeding aan te passen aan de
arbeidsmarktpositie van de werknemer, en bovendien ook nog eens aan de
financiële situatie van de werkgever. Als de oude kantonrechtersformule al
een 'stempelkaart' was, dan geldt dat zeker niet meer voor de nieuwe. Die
maakt het mogelijk om in elk individueel geval maatwerk te leveren en
rekening te houden met alle bijzonderheden. Dát is juist de kern van
rechtspraak.
Hoe nu verder?
Het wetsontwerp heeft gelukkig
nog een lange tijd te gaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat een
wetsontwerp na vele jaren in het zicht van de haven sneuvelt. Het is hopen
dat deze wet eenzelfde lot treft.
Het is de vraag of de Tweede
Kamer (in deze tijd van verontwaardiging over hoge salarissen en bonussen)
de moed kan opbrengen om nog eens goed stil te staan bij alle aspecten van
deze wet en politieke retoriek wil laten varen voor daadwerkelijke
rechtvaardigheid.
-
De auteur is advocaat bij
Holla Poelman Van Leeuwen Advocaten NV te Tilburg, Eindhoven en
´s-Hertogenbosch
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



















