Wet ontslagrecht leidt tot ongelijkheid

Auteur: door Joost Wasser |   vrijdag 20 februari 2009 | 02:46 | Laatst bijgewerkt op: vrijdag 20 februari 2009 | 07:36

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Minister Donner:'Dezelfde vasthoudendheid als vroeger'. foto Valerie Kuypers/ANP

Minister Donner:'Dezelfde vasthoudendheid als vroeger'. foto Valerie Kuypers/ANP

Juist in de week dat het CPB een grote stijging van de werkloosheid aankondigt stuurt het kabinet het wetsontwerp inzake de maximering van de ontslagvergoeding naar de Tweede Kamer.


Iedereen herinnert zich nog wel de felle discussies over de herziening van het ontslagrecht enkele jaren geleden en de vasthoudende opstelling van minister Donner toen. Omdat een kabinetscrisis dreigde werd uiteindelijk besloten tot de instelling van de Commissie Bakker, van wie bijna niemand meer iets heeft gehoord.

Omdat er in ieder geval politiek iets moest gebeuren, is in het najaarsoverleg besloten om de ontslagvergoeding van mensen met een jaarsalaris van € 75.000 of meer te maximeren. Met dezelfde vasthoudendheid als van weleer stuurt minister Donner nu dit voorstel - ondanks buitengewoon felle kritiek van de Raad voor de Rechtspraak en de Raad van State - op een wel heel bijzonder moment naar de Tweede Kamer.


Het huidige wetsontwerp maximeert de ontslagvergoeding voor mensen met een jaarinkomen van € 75.000,- of meer tot één bruto jaarsalaris. De rechter kan alleen daarvan afwijken, als dat in het gegeven geval tot een onaanvaardbaar lage uitkomst zou leiden. Afwijking is dus alleen bij zeer grote uitzondering mogelijk.

Werkgever en werknemer mogen wel onderling een hogere vergoeding afspreken, maar als de rechter er aan te pas komt, mag hij een hogere vergoeding (opmerkelijk genoeg) niet toekennen!

Los van allerlei juridisch-technische onduidelijkheden kan de minister en de sociale partners worden verweten, dat zij zich schuldig maken aan 'gecultiveerde borrelpraat'.

Allereerst is opvallend dat de minister - zeker in een tijd waarin de werkloosheid alleen maar toeneemt - niet met een afgewogen pakket aan maatregelen komt. De minister komt maar met één maatregel, die bovendien niet effectief zal blijken te zijn en zal leiden tot rechtsongelijkheid.


Het wetsontwerp is gebaseerd op de volgende gedachte: mensen met een hoge opleiding hebben meer kansen op de arbeidsmarkt, mensen met een hoge opleiding hebben een hoog salaris, dus mensen met een hoog salaris hebben meer kansen op de arbeidsmarkt. Deze gedachte doet mij denken aan de redenering: 'Ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn koffer, dus ik pas in mijn koffer'.

Zoals de Raad van State terecht opmerkt bestaat er geen vaste relatie tussen de hoogte van opleiding en de hoogte van het inkomen: niet iedereen met een salaris van € 75.000,- heeft een goede arbeidsmarktpositie.

Bovendien gaat het bij rechtspraak - anders dan het kabinet meent - niet om statische ervaringsgegevens, maar om een beoordeling van wat in het concrete geval redelijk is.


Daarnaast is de grens van € 75.000,- zeer arbitrair. Tot slot kan het voorstel, ook al afhankelijk van de redenering van de rechter mensen met een lager inkomen (bijv. € 4500,- met dertiende maand) en een auto van de zaak raken! Ook leidt dit voorstel tot grote verschillen tussen mensen in vrijwel gelijke situaties. Wat nu als een werknemer wegens verdiensten een periodiek erbij krijgt en zijn collega niet en hij daardoor net boven de 75.000 euro uitkomt?

Ook aan de 'bovenkant' ontstaat rechtsongelijkheid. Alleen werknemers met zéér hoge inkomens (vanaf € 150.000 en meer) met een zeer goede arbeidsmarktpositie kunnen doorgaans al over hun exit-regeling onderhandelen bij hun indiensttreding. Deze vrijheid blijft bestaan. Omdat afspraken moeten worden nagekomen betekent dit dan ook dat deze hogere inkomens bij deze regeling buiten schot zullen blijven. Alléén de medewerker met een inkomen van € 75.000, die niet (op voorhand) in de gelegenheid is om over zijn ontslagvergoeding afspraken te maken wordt door deze wet getroffen.

Onbegrijpelijk is verder, dat de wetgever kennelijk voor lagere inkomens een individuele beoordeling wel passend vindt en dat een individuele beoordeling voor de inkomens boven € 75.000,- in beginsel niet meer nodig is. Ook dat is in strijd met het rechtsgelijkheidsbeginsel. Iedere burger (rijk of arm) heeft evenveel recht op maatwerk en een individuele beoordeling


Waar dit voorstel dus tot rechtsongelijkheid leidt, moet het geen wet worden. Bovendien is deze wet overbodig. Het kabinet beseft onvoldoende dat de kantonrechters onlangs een nieuwe formule hebben opgesteld, die leidt tot lagere vergoedingen. De ontslagkosten worden hierdoor al aanzienlijk ingeperkt.

Nog belangrijker is, dat de nieuwe kantonrechtersformule juist bij uitstek mogelijkheden biedt om de vergoeding aan te passen aan de arbeidsmarktpositie van de werknemer, en bovendien ook nog eens aan de financiële situatie van de werkgever. Als de oude kantonrechtersformule al een 'stempelkaart' was, dan geldt dat zeker niet meer voor de nieuwe. Die maakt het mogelijk om in elk individueel geval maatwerk te leveren en rekening te houden met alle bijzonderheden. Dát is juist de kern van rechtspraak.

Hoe nu verder?

Het wetsontwerp heeft gelukkig nog een lange tijd te gaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat een wetsontwerp na vele jaren in het zicht van de haven sneuvelt. Het is hopen dat deze wet eenzelfde lot treft.

Het is de vraag of de Tweede Kamer (in deze tijd van verontwaardiging over hoge salarissen en bonussen) de moed kan opbrengen om nog eens goed stil te staan bij alle aspecten van deze wet en politieke retoriek wil laten varen voor daadwerkelijke rechtvaardigheid.


-

De auteur is advocaat bij Holla Poelman Van Leeuwen Advocaten NV te Tilburg, Eindhoven en ´s-Hertogenbosch


© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Forumregels


De website van het ED is een platform voor discussie. Lezers wordt de gelegenheid geboden om in forums te reageren op geselecteerde artikelen, commentaren en columns. Scherpe en kritische reacties dragen bij aan het debat. Om de discussie in goede banen te leiden, gelden de volgende spelregels:


1. Elke reactie wordt vooraf door de redactie beoordeeld. De redactie heeft het recht om zonder verdere toelichting bijdragen te weigeren, te bewerken of in te korten.

2. Reacties moeten kort en bondig zijn (maximaal 250 woorden), leesbaar en begrijpelijk zijn en inhoudelijk betrekking hebben op het onderwerp van het betreffende artikel.

3. Voor de discussie gelden elementaire fatsoensnormen. Schuttingtaal en scheldwoorden zijn niet toegestaan.

4. Reacties die beledigend of discriminerend zijn, (oncontroleerbare) beschuldigingen, bedreigingen bevatten of oproepen tot haat of geweld worden niet geplaatst.

5. Reacties mogen geen privégegevens van derden bevatten.

6. Reacties die anoniem zijn of onder een valse naam worden ingestuurd, kunnen worden geweigerd.

7. Reacties mogen geen auteursrechten overtreden en geen commerciële boodschappen bevatten.

8. Het ED staat open voor kritiek – zowel positief als negatief – op de krant en op haar redacteuren. Correcties en aanvullingen op artikelen zijn welkom. Inhoudsloze kritiek wordt niet geplaatst.

9. Het IP-adres vanwaar wordt gereageerd wordt altijd vastgelegd.

10. Reacties, of citaten daaruit, mogen worden gebruikt op alle publicaties van het ED (websites, krant, sociale media, enz.).


De redactie is niet kinderachtig. Laat u dus niet ontmoedigen door de spelregels. Ze zijn uitsluitend bedoeld om een goede discussie te bevorderen. De redactie gaat zorgvuldig te werk. Mocht u desondanks reacties op de website ontdekken die in strijd zijn met de spelregels of anderszins niet door de beugel kunnen, laat ons dat dan weten via e-mail.