Tijdens een emotionele bijeenkomst eind vorig jaar in Doorn maakten veteranen met PTSS hun ongenoegen kenbaar over het niet van de grond komen van een nieuw veteranen-zorginstituut. foto Jeroen Jumelet/GPD
PTSS (posttraumatisch stress-syndroom) is een ernstige psychiatrische aandoening, die kan ontstaan na een traumatische ervaring. De voornaamste symptomen zijn: herbelevingen (nachtmerries of flashbacks), het vermijden van herinneringen of emotionele uitschakeling hiervan, depressie, ernstige prikkelbaarheid, slaapstoornissen, hevige schrikreacties en extreme spanningen als gevolg van bepaalde prikkels.
Het aantal militairen dat kampt met paniekaanvallen, driftbuien en
onbeheerste agressie is vele malen groter dan het aantal gesneuvelden. De
gevolgen zijn groot: echtscheidingen, niet meer kunnen werken, kinderen die
uit huis worden geplaatst, misdrijven en zelfmoorden.
Zelfs 25
jaar of meer na een traumatische ervaring kunnen mensen nog een ernstige
vorm van PTSS ontwikkelen. Dit is duidelijk waarneembaar in het toegenomen
aantal Libanon-veteranen dat in de loop der jaren in problemen is geraakt.
Kenmerkend voor mensen met PTSS is dat zij hun ziektebeeld ontkennen. Het zijn
vaak wanhopige partners die hun man of vrouw met PTSS naar bijvoorbeeld het
Veteraneninstituut in Doorn sturen. Daar geven de veteranen vaak aan
gestuurd te zijn, maar volgens hen zelf niets te mankeren. Gelukkig is dit
voor de hulpverlener die de intake doet een duidelijke indicatie om door te
vragen.
Met lotgenoten die hetzelfde hebben meegemaakt, kunnen
PTSS-patiënten goed praten. Bij de Bond van Nederlandse Militaire
Oorlogsslachtoffers (BNMO) wordt dit al tientallen jaren met succes
toegepast. Lotgenotencontact is, naast professionele zorg, een heilzaam
middel om erkenning te vinden, problemen te delen en samen aan mogelijke
oplossingen te werken. Het is daarom van groot belang te stimuleren dat
veteranen na dienstverlating in een vereniging komen. Daar kan de grote
groep die niet geneigd is hulp te zoeken in contact komen met lotgenoten en
aldus gestimuleerd worden hulp te vragen. Het is ook belangrijk veteranen te
blijven volgen en goede voorlichting te blijven geven, gezien de lange
'incubatietijd' waarin klachten kunnen ontstaan.
Het huidige
'haalrecht' voor nazorg moet overigens hoognodig worden vervangen door een
'brengplicht' van Defensie. Als een gezonde militair na zijn dienstverlating
(ernstige) klachten ontwikkelt, moet a priori worden uitgegaan van een
verband met zijn dienstverrichtingen, tenzij Defensie het tegendeel kan
aantonen. Dat zal een hoop verdriet en ergernis voorkomen.
Niet
alle veteranen bij wie PTSS is geconstateerd, voldoen aan alle criteria die
voor deze diagnose gelden. Er zijn er bijvoorbeeld die enkel een 'kort
lontje' aan hun missie hebben overgehouden. Dan spreekt men van partiële
PTSS. Dat komt echter schrikbarend veel voor, met name bij de missies van
langer geleden.
Volgens Defensie werd er indertijd geen en wordt
nu wél voorlichting over de mogelijke gevolgen van deelname aan een missie
gegeven. Dat is juist, maar bij de werving en selectie wordt alleen gevraagd
of men bereid is te worden uitgezonden. De echte voorlichting over PTSS en
de herkenbaarheid bij anderen wordt pas gegeven bij de daadwerkelijke
voorbereiding van een uitzending. Van een heroverweging bij de betrokken
militairen kan dan geen sprake meer zijn. Hier kunnen ethische vragen bij
worden gesteld.
Enige jaren geleden werden veteranen met PTSS
eindelijk erkend en gehonoreerd bij de toekenning van bijvoorbeeld
invaliditeitpercentages en smartengeld. Maar dat systeem is helaas alweer
verlaten. Bij herkeuringen wordt met de beoordeling van de psychiater geen
rekening meer gehouden. Zo komt het nu geregeld voor dat
uitkeringspercentages worden teruggebracht van 80 naar bijvoorbeeld 20 of
van 40 naar 5. Zo'n enorme terugval in inkomsten levert voor de veteraan en
zijn omgeving spanningen op en niet alleen financieel.
De 'core
business' van Defensie is het leveren van gevechtskracht. Dat gebeurt zeer
professioneel en de waardering voor onze militairen is internationaal groot.
Maar Defensie is geen zorginstelling en moet dat ook niet willen zijn. De
kosten voor zorg en nazorg van militairen worden echter wel uit het
defensiebudget betaald en kunnen in de nabije toekomst aanzienlijk toenemen.
Mede doordat de defensiebegroting de afgelopen vijftien jaar alleen maar
neerwaarts is bijgesteld, ligt het voor de hand Defensie niet meer te
belasten met de zorg voor veteranen, maar deze zorg elders onder te brengen,
bijvoorbeeld bij Volksgezondheid en Welzijn.
Het wordt ook tijd
dat de eeuwige discussies in en buiten het parlement over definities, status
en zorg van en voor veteranen worden beëindigd. Dat kan met een
Veteranenwet, waarin alle relevante zaken worden geregeld. Kijk naar Canada:
daar zijn 'veteranenzaken' ondergebracht bij een apart ministerie. Dat is
voor Nederland een maatje te groot, maar een aparte staatssecretaris
Veteranenzaken is zeer wel op zijn plaats. Dat schept duidelijkheid voor
alle partijen, verlost Defensie van de spagaat operationele inzet versus
(na)zorg, maar doet ook recht aan de erkenning van veteranen die met gevaar
voor eigen leven en gezondheid een bijdrage hebben geleverd aan vrede en
veiligheid in de wereld.
-
Louis Timmermans is kolonel
b.d. en voormalig algemeen voorzitter van de Bond van Nederlandse Militaire
Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO).
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties














