Vrijwel de hele twintigste eeuw heeft Amerika grote verwachtingen gehad van
wat het ooit in en met China zou kunnen bereiken. Zakenmensen en hun
vrienden in de politiek droomden van schier onbegrensde handelsmogelijkheden
in het rijk bevolkte land.
China was een nieuw aandachtsgebied voor het traditioneel op Europa gerichte
Amerika. Zoals deze maand tijdens president Obama's eerste bezoek aan het
land te zien was, is de toekomst inmiddels gearriveerd. Meer dan ooit speelt
China een centrale rol in de wereld, náást de VS. Maar nu het zo ver is
weten veel Amerikanen niet of ze verheugd of bezorgd moeten zijn. Vandaar
dat de president het nogal voorzichtig aanpakte, ook al noemde hij zichzelf
Amerika's eerste 'Pacific-president'.
China was aan het eind van
de negentiende eeuw aanleiding tot het formuleren van de 'open door'
doctrine, die door veel historici als een centrale drijfveer van het
Amerikaanse internationale optreden sindsdien wordt gezien. China was
belangrijk of zou dat zeker worden. Daarom kwam Washington tijdens de jaren
dertig steeds kritischer te staan tegenover de Japanse veroveringsoorlog
daar. Amerikaanse maatregelen om Japan tot de orde te roepen, zoals een
olieboycot, droegen rechtstreeks bij aan de Japanse verrassingsaanval op
Pearl Harbor in 1941. Met de Japanse overgave in 1945 laaide in China de
burgeroorlog op tussen de nationalisten geleid door Tsjang Kai Sjek en de
door Mao Zedong aangevoerde communisten. De VS probeerden tevergeefs te
bemiddelen. Het aan de macht komen van de communisten in 1949 was het begin
van meer dan twintig jaar vijandschap tussen Peking en Washington. Aan het
thuisfront werd de vraag gesteld 'Who lost China?' Van 1950-1953 vochten de
VS en China rechtstreeks tegen elkaar in Korea. In de jaren zestig was China
lang de belangrijkste bondgenoot van de Vietnamese communisten in hun strijd
met de Amerikanen. De VS werden de beschermer van Tsjang Kai Sjek's Taiwan,
het 'andere China'.
Officieel hadden beide landen al die tijd geen
contact. Daar begon pas verandering in te komen aan het eind van de jaren
zestig. Richard Nixon, conservatief machtspoliticus, wist gebruik te maken
van de toen openlijke vijandschap tussen de Sovjet-Unie en Mao's China. Zijn
historische bezoek aan Peking in februari 1972 was het begin van een nieuw
tijdperk in de Amerikaans-Chinese betrekkingen. Dat tijdperk kreeg na 1978
een nieuwe impuls, toen Deng Xiao Ping de economie hervormde onder het motto
'rijk worden is glorieus'. Dit was de werkelijke 'opening' van de deur, zij
het grotendeels op Chinese voorwaarden. Amerikanen en andere buitenlanders
waren welkom om in China zaken te doen, maar de communistische dictatuur
hield de touwtjes in handen. Dat werd in 1989 op het Plein van de Hemelse
Vrede bloedig duidelijk. Pogingen van Amerikaanse regeringen om de
mensenrechten tot gespreksonderwerp te maken bleven doorgaans zonder succes.
Obama deed tijdens zijn recente bezoek slechts een zwakke poging. Echt
kwalijk kun je hem dat niet nemen.
China's economische opkomst
heeft de basis gelegd voor een buitenlands beleid dat in zijn
wereldomspannendheid, zelfvertrouwen en ambities alleen te vergelijken is
met dat van de VS. Washington heeft de laatste jaren juist aan invloed
ingeboet. Militair kan Peking nog niet tippen aan de status van de VS, maar
Amerikaanse strategen zijn desondanks bezorgd. De VS hebben China's
medewerking nodig bij belangrijke internationale kwesties, zoals
Noord-Korea's kernwapenprogramma, Irans nucleaire aspiraties en een
internationaal klimaatverdrag.
Intussen zijn beide landen
financieel en economisch van elkaar afhankelijk. Amerika kan niet zonder
China, wat niet betekent dat het China's gevangene is. De dictators in
Peking hebben binnenslands de handen vol, juist omdat veel Chinezen meer
willen van wat Amerika traditioneel zo'n aantrekkelijk voorbeeld maakt:
vrijheid. Obama's pragmatisme mag dan saai zijn, het is ook verstandig. Ook
in de 21e eeuw blijft Amerika hopen dat China zich op de VS zal oriënteren
en dat beide landen – en eigenlijk de hele wereld – daar de vruchten van
mogen plukken.
-
Dr. Ruud van Dijk doceert Nieuwste
Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

















