In het politieke tumult bleef onderbelicht wat nu eigenlijk de betekenis is
geweest van Van Mierlo voor de vaderlandse politiek.
Voor het antwoord is het goed om terug te gaan naar 1966. Op Koninginnedag
bespraken links-liberale intellectuelen – onder wie Van Mierlo, Hans
Gruijters en Jan Glastra van Loon – in Amsterdam hun zorgen over de
politieke situatie, de verzuiling en de kloof tussen de vooroorlogse en de
naoorlogse generatie. Het was de aanzet tot de oprichting van D66 (toen nog
D'66) in september van dat jaar.
Het motief voor de oprichting verwoordde Van Mierlo in de inmiddels historisch
geworden tv-spot voor de campagne van zijn partij. Daarin sprak hij zijn
verontrusting uit 'over de verwarring en de ondoorzichtigheid, de tanende
invloed van de kiezers, over de ontoereikendheid van de oude politieke
spelregels, over de onbeweeglijkheid en de verstarring van het
partijenstelsel'.
Het doel van D66 was om het politieke systeem te veranderen. Kiezers moesten
meer invloed krijgen op de kabinetsvorming. Ze moesten rechtstreeks de
minister-president en de burgemeester kunnen kiezen. Een districtenstelsel
moest de weg effenen naar partijvernieuwing, waardoor de kiezers weer een
heldere keuze voorgelegd zouden krijgen. Via een referendum en hoorzittingen
moesten burgers meer invloed krijgen op het bestuur.
Als dat geregeld was, zou D66 zichzelf kunnen opheffen en zou Van Mierlo
kunnen terugkeren naar de journalistiek. Het liep anders ondanks een
veelbelovende start, waardoor de partij in 1967 met zeven zetels in de
Tweede Kamer kwam. Bij de verkiezingen in 1971 groeide de partij door naar
elf Kamerzetels.
De kiezers waren toe aan vernieuwing. Maar het waren niet alleen de ideeën van
D66 die aanspraken. Ook Van Mierlo persoonlijk maakte grote indruk door zijn
jongensachtige bravoure, zijn charisma en zijn retorisch talent. Hij kon
bevlogen zijn, intellectueel maar op zijn tijd ook nuancerend en
relativerend. Hij sprak van 'een stille revolutie, die kanalen graaft van de
burgers en hun frustraties naar de centra van de macht, en dan met vreedzame
middelen'.
Van de doelstellingen van D66 was nog weinig terechtgekomen toen Van Mierlo in
de jaren zeventig de politiek verliet. Dat moest hij toegeven, toen hij in
1985 terugkeerde als lijsttrekker om zijn partij uit het slop te halen. "Toen
ik twintig jaar geleden in de politiek stapte dacht ik: dat doe ik een
tijdje, tot die onrust is vertaald in praktische politieke veranderingen. Ik
dacht: wij hebben zo evident gelijk, dat ziet toch binnen de kortste keren
iedereen."
Van Mierlo mocht zich dan hebben verkeken op de macht van de in oude,
traditionele partijen en de taaiheid van het politieke systeem, hij was zijn
magie nog zeker niet kwijt. D66 groeide weer als kool en in 1994 leidde hij
de partij zelfs naar het beste verkiezingsresultaat ooit: 24 zetels. Het
referendum, de gekozen minister-president, de gekozen burgemeester, het
districtenstelsel, de door D66 nagestreefde vernieuwingen kwamen er echter
niet. De kroonjuwelen van D66, de belangrijkste redenen om de partij op te
richten, bleven onvervulde idealen. Uiteindelijk legde Van Mierlo zich daar
min of meer bij neer met de uitspraak dat de term kroonjuwelen bij D66
eigenlijk verboden zou moeten worden.
Toch zou het geen recht doen aan Van Mierlo om zijn missie als volledig
mislukt te beschouwen. Gedurende zijn hele politieke loopbaan – onder meer
als lid van de Tweede en Eerste Kamer, minister van Defensie en Buitenlandse
Zaken en Minister van Staat – deed hij zijn best om de zwaktes in het
Nederlandse politieke systeem bloot te leggen. In die periode heeft ook wel
degelijk een vernieuwingsproces plaats gevonden in de politiek en D66 en Van
Mierlo hebben daar ongetwijfeld een rol in gespeeld. Er wordt geen kabinet
meer gevormd zonder dat er verkiezingen aan vooraf zijn gegaan. De interne
democratie is in de meeste partijen versterkt. Er worden op zijn minst
pogingen gedaan om de kloof tussen de burger en het bestuur te verkleinen.
De vanzelfsprekendheid van het overleg heeft plaats gemaakt voor een cultuur
van debat.
Het grootste succes van Van Mierlo is zonder twijfel de vorming van het eerste
paarse kabinet van PvdA, VVD en D66. Daarmee werd afgerekend met de
vastgeroeste gedachte dat geen regering mogelijk was zonder
christendemocraten. De vorming van een coalitie zonder het CDA maakte
bovendien de weg vrij voor het debat over euthanasie, waarin D66 principieel
democratisch het standpunt huldigde dat de wil van het volk en van het
individu bepalend is.
Dat alles doet niets af aan het feit dat Van Mierlo voor zijn overlijden nog
net zo verontrust was over de politiek en de democratie als bij de
oprichting van D66. Wie kijkt naar het gebrek aan vertrouwen van de burger
in de politiek en de koers van een partij als de PVV kan alleen maar
vaststellen dat de woorden die Van Mierlo in 1966 sprak, nauwelijks aan
betekenis hebben ingeboet.
-
De auteur is hoofd opinie van deze krant.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.




Sorteer reacties















