De Republikeinen delen nu in de verantwoordelijkheid en ze zullen snel ontdekken dat het een stuk eenvoudiger is ergens tegen te zijn (tegen president Obama, tegen de Democraten, tegen belastingen en overheidsuitgaven) dan om zelf aan te geven hoe de begroting sluitend kan worden gemaakt, waar precies in uitgaven gesneden dient te worden en waar de broodnodige nieuwe werkgelegenheid vandaan moet komen.
De traditionele Republikeinse elites zullen het binnen hun partij grotendeels voor het zeggen houden, want hoewel de oppositionele Tea Party-beweging op veel plaatsen de eigen kandidaten heeft zien winnen, hebben de meeste extreme Tea Party-representanten juist gevoelige nederlagen geleden. Als de Republikeinen in de verkiezingsraces meer gematigde personen hadden kunnen opstellen, was hun winst in de Senaat nog groter geweest.
Dat het minder rumoerig wordt in de Amerikaanse politiek betekent overigens niet dat er snel pragmatisch zal worden gehandeld. Daarvoor liggen de posities van de president en de Republikeinen te ver uit elkaar, zo de Republikeinen al concrete beleidsideeën hebben. Tijdens de campagne blonken leiders als John Boehner (de aanstaande nieuwe voorzitter van het Huis van Afgevaardigden) en Mitch McConnell (Republikeins leider in de Senaat) uit in het ontwijken van vragen over bijvoorbeeld uitgaven waarop in hun ogen gekort zouden kunnen worden. Enige compromisbereidheid hebben ze sinds de verkiezingen wel getoond, maar Tea Party-activisten zullen ook hen onder druk houden, dus veel ruimte is er niet.
Grote Republikeinse ambities, zoals het terugdraaien van Obama's hervorming van het gezondheidsstelsel, zullen stuiten op het veto van de president, die op zijn beurt nieuwe hervormingsambities (bijvoorbeeld op energiegebied) zal moeten matigen, vooral als ze zouden leiden tot een verdere uitbreiding van de invloed van de federale overheid.
De uitslag van 2 november heeft overduidelijk gemaakt dat heel veel Amerikanen hun eigen regering blijven wantrouwen. Dat is al sinds de jaren zeventig het geval. Ambitieuze politici als Obama – en eerder Bill Clinton – die geloven dat ze die stemming wel kunnen negeren of ombuigen, kunnen hun vingers lelijk branden.
Obama en de zijnen zeggen nu dat het de afgelopen twee jaar aan de verkoop van het regeringsbeleid heeft geschort, niet aan de inhoud. Maar de Amerikanen hebben goed begrepen dat Obama een grotere rol voor de centrale regering in het nationale leven ziet, en daar willen de meesten niet aan. Hierin worden velen natuurlijk beïnvloed door de schrille propaganda van rechts. Ook is het wrang voor de president dat zijn vijanden nooit hebben aangegeven hoe vorig jaar de financiële sector, de auto-industrie en de economie als geheel zonder overheidsingrijpen voor een ineenstorting hadden kunnen worden behoed.
Overigens gaf Obama al tijdens zijn verkiezingscampagne in 2008 (voor de crisis) aan dat hij het onder zijn voorgangers verstoorde evenwicht tussen de overheid en de particuliere sector ten gunste van de eerste wilde herstellen. Dat blijft een visie waar Amerikanen moeite mee hebben, ook al profiteren velen van hen op de een of andere manier van subsidies, uitkeringen, investeringen of belastingvoordelen uit Washington.
In de discussies over de huidige Amerikaanse politiek is dan ook – met name onder Republikeinen – de ratio vaak ver te zoeken. Het debat wordt vooral bepaald door diepe zorgen onder de bevolking over de toekomst van het land. Hoe zullen de schuldenlast en de overheidsbemoeienis de kansen van individuele Amerikanen om zelf initiatieven te nemen en geld te verdienen beïnvloeden? En waar moeten de nieuwe banen vandaan moeten komen?
Tekenend voor die bezorgdheid is ook dat tijdens de recente campagne velen China ervan beschuldigden vals te spelen in de economische concurrentiestrijd. Het Amerikaanse overwicht in de wereld is niet meer wat het geweest is en diep in hun hart voelen Amerikanen wel dat veel problemen structureel zijn en grotendeels van eigen makelij: te veel schuld (individueel en nationaal), te weinig banen in sectoren die er internationaal toe doen, twee dure oorlogen (Irak en Afghanistan) en weinig lange termijnbeleid voor bijvoorbeeld energie en innovatie.
Men zou er nu echt samen de schouders onder moeten zetten. Het land heeft er meer dan genoeg potentieel voor. Het is echter de vraag of de huidige politieke leiders, inclusief de president, elkaar en de bevolking zo ver kunnen brengen of dat het verlammende negativisme de hoofdrol blijft spelen.
-
Dr. Ruud van Dijk doceert hedendaagse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.




Sorteer reacties














