JOS KESSELS - Pulp-fictie

zaterdag 07 maart 2009 | 02:47 | Laatst bijgewerkt op: zaterdag 07 maart 2009 | 09:34

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten

Toen Christus nog een cowboy was maakte ik met Frans Thomése een paar lange reizen door Amerika en enkele waanzinnige trips naar Duitsland, waar waanzin een deugd is en wij ons meteen thuis voelden. Ik had en heb Frans nooit als de gelauwerde schrijver P.F. Thomése gezien, maar als mijn bloedbroeder, een partner in crime, booze en geouwehoer.

Totdat ik onze reizen teruglas in tijdschriften en verhalenbundels, waarin ik tot mijn verbazing ook nog onder mijn eigen naam figureerde.

Eerst was ik teleurgesteld en boos, omdat ik dacht dat die tochten iets van ons waren, niet bestemd voor anderen.

Maar het waren ook mooie verhalen, omdat Frans prachtig kan schrijven en een fabelachtig geheugen heeft, terwijl ik fabelachtig goed kan vergeten.

Tegelijk had ik er ook geen last van, want ik begeef me nooit in literaire kringen.

In andere kringen trouwens ook niet.

Dat wil ik graag zo houden.

Er zit een open kant in mij, die voorziet in mijn dagelijkse stukjes voor de krant, maar ook een afgesloten kant, waarbij ik alles en iedereen op afstand houd.

Het een houdt het ander in evenwicht.

Wie mij beter wil leren kennen, moet de cd Honky Tonk Heart van Chris Wall maar aanschaffen. Niets zit zo dicht tegen mijn karakter aan.

Maar soms gebeuren er dingen, waar ik geen greep op heb en in meegezogen dreig te raken.

Zoals de nieuwe roman van Frans, die nota bene ook nog mijn naam draagt.

In deze pulp-fictie ben ik de man wél en niét. Ik heb geen hekel aan NAC, maar aan PSV, maar dat paste niet in het boek. Ik heb ook geen hekel aan Breda, maar aan Den Bosch.

We zullen er nog ettelijke op drinken, maar voor de rest zoekt Frans het maar mooi uit met zijn boek, ik doe verder nergens aan mee.

Hij had niet anders verwacht.

Nu in de blogs

Specials