Een snellere verhoging van de pensioenleeftijd tot misschien wel 68 jaar lijkt een gemakkelijke en snelle weg om te bezuinigen op de overheidsfinanciën en de financiële positie van de pensioenfondsen te verbeteren – er kan dan immers later worden begonnen met de uitkering van AOW en pensioen. Maar daarvoor zijn nieuwe onderhandelingen nodig, die tot politieke en maatschappelijke onrust zouden leiden. Een deel van de besparingen zou door tijdverlies verloren gaan.
Er is nog een belangrijker bezwaar. Nederlanders zijn langer gaan werken na de afschaffing van vut en prepensioen – dat is pure winst –, maar de gemiddelde leeftijd waarop mensen stoppen met werken ligt nog ver onder de 65 jaar. Werkloze ouderen zijn meestal veroordeeld tot een uitkering. Verdere verhoging van de pensioenleeftijd moet daarom gepaard gaan met een verbetering van de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Dat vergt vooral een mentaliteitsverandering bij werkgevers en werknemers en daarvoor is tijd nodig.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties















