Drie van de zes wethouders in het nieuwe college komen van buiten. Daarmee
valt ook Eindhoven ten prooi aan carrière-bestuurders.
Een sprekend voorbeeld is Staf Depla. De PvdA'er vond het na tien jaar in de
Tweede Kamer mooi geweest en solliciteerde openlijk naar het wethouderschap
in Utrecht. Toen hij daar buiten de boot viel, was Eindhoven kennelijk een
aanvaardbaar alternatief. Vóór Depla spreekt dat hij tenminste nog
Eindhovense wortels heeft. Dat kan niet gezegd worden van Henk Brink (VVD)
en Lenie Scholten (GroenLinks), die als wethouder actief zijn geweest in
Amersfoort en Nijmegen. Met Mary-Ann Schreurs (D66), Mary Fiers (PvdA) en
Joost Helms (VVD) komt het aantal wethouders op zes.
Op de bestuurlijke kwaliteiten van de wethouders van buiten valt wellicht
weinig aan te merken. Wel moeten vraagtekens worden geplaatst bij hun
betrokkenheid. Het wethouderschap is geen ambtelijke functie die op
technocratische wijze kan worden vervuld. Daarom stelt de wet ook als eis
dat wethouders wonen in de gemeente waar zij werken. In noodgevallen – een
bestuurlijke crisis of als echt niemand anders te vinden is – kunnen
wethouders van buiten uitkomst bieden. Van de mogelijkheid die de wet
daartoe biedt, wordt tegenwoordig veel te gemakkelijk gebruik gemaakt.
Het lokaal bestuur is niet gediend met carrière-bestuurders die zich laten
inhuren door de hoogstbiedende. Lokale bestuurders moeten leven – wonen,
recreëren en maatschappelijk actief zijn – in de gemeente waarin zij aan de
slag gaan. Zij moeten begaan zijn met de gemeente en haar inwoners, niet op
een afstandje of als passant maar heel direct. Voor de nodige afstand en
onpartijdigheid wordt de burgemeester al benoemd.
Het is en blijft een zwaktebod als partijen niet genoeg wethouderskandidaten
uit de eigen lokale gelederen kunnen voordragen. Het zegt ook veel over de
mate waarin zij geworteld zijn in de samenleving, die zij denken te
vertegenwoordigen.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties















