article
1.6468894
OPINIE - Auteur Jos Swanenberg is hoogleraar 'Diversiteit in taal en cultuur' aan Tilburg University. Voor Erfgoed Brabant is hij adviseur/redacteur.
Opinie - Kanttekening bij de stelling dat platprater minder verdient
OPINIE - Auteur Jos Swanenberg is hoogleraar 'Diversiteit in taal en cultuur' aan Tilburg University. Voor Erfgoed Brabant is hij adviseur/redacteur.
http://www.ed.nl/mening/opinie-kanttekening-bij-de-stelling-dat-platprater-minder-verdient-1.6468894
2016-09-30T08:00:00+0000
http://www.ed.nl/polopoly_fs/1.6468895.1475219927!image/image-6468895.JPG
Eindhoven,Opinieartikel,Dialect,hermes
Mening
Home / Mening / Opinie - Kanttekening bij de stelling dat platprater minder verdient

Opinie - Kanttekening bij de stelling dat platprater minder verdient

Foto's
1
Reacties
Reageer
    • Afbeelding
      Beschrijving
      Een Brabants leesplankje.
    OPINIE - Auteur Jos Swanenberg is hoogleraar 'Diversiteit in taal en cultuur' aan Tilburg University. Voor Erfgoed Brabant is hij adviseur/redacteur.

    Platpraters moeten het met minder salaris doen.

    Dialect of accent
    Het onderzoek van de Tilburgse hoogleraar Arbeidsmarkteconomie Jan van Ours roept vragen op. Uit onderzoek blijkt dat dialectsprekers minder verdienen dan sprekers van het Standaardnederlands. Dialect is de enige oorzaak die onderzoeker Jan van Ours kon vinden voor het lagere salaris. Het valt me op dat in het artikel hierover (ED 22 september) de termen 'dialect' en 'accent' door elkaar gebruikt worden. Dat wekt verwarring. In het onderzoek gaat het over mensen die zijn opgevoed met dialect. De reacties in het artikel gaan ook over het spreken met een accent. Dat is iets wezenlijk anders.

    Dialecten zijn eeuwenoude, volwaardige communicatiesystemen met eigen woordenschat, klankenpalet en grammatica. Tot de jaren zeventig golden ze nog voor de meerderheid van de bevolking als moedertaal. Een groot deel van die meerderheid heeft naast of na het leren spreken van dialect ook Nederlands leren spreken. Zulke mensen beschikken dus over twee afzonderlijke taalregisters, die ieder hun eigen gebruiksdomeinen kennen (diglossie), bijvoorbeeld dialect voor thuis en Nederlands voor op het werk.

    Accent
    Wanneer dialectsprekers Nederlands spreken, doen ze dat vaak met een accent. Maar je hoeft geen dialectspreker te zijn om een regionaal accent te hebben. Een accent is een verzameling klanken die geassocieerd wordt met een groep mensen. Als het accent geassocieerd wordt met bewoners van een bepaalde plaats of streek, kun je het een regionaal accent noemen, bijvoorbeeld een Amsterdams of Brabants accent.

    Punt is nu dat iemand met een accent wel degelijk Nederlands spreekt. Die persoon spreekt Nederlands met klanken die worden geassocieerd met een plaats of streek. Dat is iets anders dan dialect. Vroeger werd de term Algemeen Beschaafd Nederlands gebruikt voor Nederlands waaraan je niet kunt horen waar iemand vandaan komt. Het spreken met een regionaal accent is de laatste decennia meer geaccepteerd geraakt, niet voor niets spreken we tegenwoordig liever van Standaardnederlands dan van ABN.

    Een accent wordt pas vervelend als je erop wordt aangesproken. Daarbij spelen vooroordelen een rol, zoals het boers of dom vinden van accenten die men met het platteland associeert. Voorts kan een accent zo zwaar zijn dat de verstaanbaarheid in het geding komt. En aangezien taal ons middel voor communicatie is, kan een accent dan een probleem worden.

    Dialect
    De vraag is wie de platpraters zijn in het onderzoek van Van Ours. Worden hier mensen bedoeld die dialect spreken of mensen die Nederlands met een accent spreken? Ik kan me voorstellen dat de vraag zoiets geweest is als: 'Bent u opgegroeid met dialect?' Dat vertelt ons echter niets over hoe die mensen nu spreken. Wie ooit is opgegroeid met dialect, spreekt nu misschien wel accentloos Nederlands. De strekking van het stuk is dat zij die dialect spreken minder geld verdienen, maar gaat dit onderzoek daar wel over? Ik kan me goed voorstellen dat wanneer iemand met een moeilijk verstaanbaar accent spreekt, hem of haar dat dwarszit bij de communicatie op de werkvloer. Maar de relatie tussen het spreken met een accent en de hoogte van het salaris is niet wat hier is onderzocht.

    Ook ben ik benieuwd naar regionale verschillen in de resultaten. In streken waar veel dialect gesproken wordt (Groningen, Zuid-Limburg en de Achterhoek) zien we meestal ook minder aanbod van hoogopgeleid werk. Dergelijke sociale factoren lijken me van belang als je de hoogte van salarissen onderzoekt. Zonder een degelijk uitgewerkte context van regionale verschillen in sociale factoren zegt de stelling 'lager loon voor platpraters' niet meer dan 'lager loon voor mensen met bruine ogen'.