Schoorvoetend integreren - commentaar
De Europese top van de afgelopen dagen is uitgedraaid op een keiharde confrontatie.
Na afloop stonden alle regeringsleiders voor de bijna onmogelijke opgave om de uitkomsten in eigen land te verkopen als een overwinning – of in elk geval het beeld van een nederlaag te bestrijden.
Duidelijk is dat de noordelijke landen – Duitsland, Finland en Nederland – meer hebben moeten toegeven dan ze vooraf van plan waren. De winst voor de zuidelijke landen – onder aanvoering van Italië en Spanje – is dat hun noodlijdende banken rechtstreeks kunnen gaan lenen van de Europese steunfondsen. Die leningen lopen dan niet meer via de begroting van de betreffende landen en drukken daardoor ook niet op hun schuld. Dat is belangrijk omdat de hoogte van die schuld van invloed is op de rente waartegen landen kunnen lenen.
Premier Mark Rutte is er juist voor om via het juk van de markt de druk op de schuldenlanden zo hoog mogelijk te houden. Voor de regeringen van Italië en Spanje is het echter lastig om hun burgers te overtuigen van de noodzaak van bezuinigingen en hervormingen als het effect ervan wordt opgesoupeerd door de hoge rente.
Dat de noordelijke eurolanden de zuidelijke landen daarin enigszins tegemoet komen is niet onlogisch. Om te beginnen hebben zij belang bij economisch herstel in die landen. Bovendien profiteren zij van het feit dat beleggers die een veilige bestemming voor hun geld zoeken, bereid zijn om aan Duitsland en Nederland tegen extreem lage rente te lenen.
De noordelijke landen hebben als voorwaarde voor rechtstreekse leningen vanuit de noodfondsen aan banken wel weten te bedingen dat er een een Europees bankentoezicht komt. Overeenstemming over die voorzichtige stap in de richting van een bankenunie was nodig, omdat Italië en Spanje anders het 'groeipact' dreigden te blokkeren.
De hele gang van zaken is tekenend voor Europa. De eurolanden zijn tot elkaar veroordeeld en bewegen schoorvoetend in de richting van verdere integratie. Die ontwikkeling is onvermijdelijk. De Nederlandse invloed daarop moet niet worden overschat, hoezeer politieke partijen – mede in het licht van de verkiezingen – ook anders willen doen geloven.
Duidelijk is dat de noordelijke landen – Duitsland, Finland en Nederland – meer hebben moeten toegeven dan ze vooraf van plan waren. De winst voor de zuidelijke landen – onder aanvoering van Italië en Spanje – is dat hun noodlijdende banken rechtstreeks kunnen gaan lenen van de Europese steunfondsen. Die leningen lopen dan niet meer via de begroting van de betreffende landen en drukken daardoor ook niet op hun schuld. Dat is belangrijk omdat de hoogte van die schuld van invloed is op de rente waartegen landen kunnen lenen.
Premier Mark Rutte is er juist voor om via het juk van de markt de druk op de schuldenlanden zo hoog mogelijk te houden. Voor de regeringen van Italië en Spanje is het echter lastig om hun burgers te overtuigen van de noodzaak van bezuinigingen en hervormingen als het effect ervan wordt opgesoupeerd door de hoge rente.
Dat de noordelijke eurolanden de zuidelijke landen daarin enigszins tegemoet komen is niet onlogisch. Om te beginnen hebben zij belang bij economisch herstel in die landen. Bovendien profiteren zij van het feit dat beleggers die een veilige bestemming voor hun geld zoeken, bereid zijn om aan Duitsland en Nederland tegen extreem lage rente te lenen.
De noordelijke landen hebben als voorwaarde voor rechtstreekse leningen vanuit de noodfondsen aan banken wel weten te bedingen dat er een een Europees bankentoezicht komt. Overeenstemming over die voorzichtige stap in de richting van een bankenunie was nodig, omdat Italië en Spanje anders het 'groeipact' dreigden te blokkeren.
De hele gang van zaken is tekenend voor Europa. De eurolanden zijn tot elkaar veroordeeld en bewegen schoorvoetend in de richting van verdere integratie. Die ontwikkeling is onvermijdelijk. De Nederlandse invloed daarop moet niet worden overschat, hoezeer politieke partijen – mede in het licht van de verkiezingen – ook anders willen doen geloven.