Met pijn in het hart verliet de ED-redactie na tientallen jaren het gebouw aan de Wal. Het vertrek zorgde voor weemoed. In die laatste dagen liepen adjunct-hoofdredacteur Mario Bouwmans en Tamara Nelemans van EDtv door het pand met Terry Koster, die jarenlang in de ED-bedrijfswoning letterlijk bovenop het nieuws leefde.
DEEL 1:
Nog altijd praat hij in de wij-vorm over het Eindhovens Dagblad. Ook al scheidden ruim twintig jaar geleden de wegen van de krant en Terry Koster (1960), de liefde is altijd gebleven. Als zoon van de conciërge leerde hij het oude ED-pand aan de Wal op z'n duimpje kennen.
Gegeseld door een gure wind kijkt Terry Koster naar de voorgevel en een ontwapenende glimlach komt op zijn gezicht. "Huisnummer 2 hangt er nog, zie je." Hij wijst naar het kleinood halverwege het gebouw aan de Wal. Hier was tot begin jaren tachtig de hoofdingang van het Eindhovens Dagblad. De vrachtwagens van Peels reden er de rollen papier voor de drukpers naar binnen en 's nachts vertrokken de Mercedessen van 'De Vleut' vice versa met bedrukte exemplaren, op weg naar de verdeelpunten. Terry Koster is terug in zijn tienertijd, toen de blokkendoos aan de Eindhovense binnenring nog een zelfvoorzienende krantenuitgeverij was met drukkers in overalls, melkdrinkende loodzetters en heren redacteuren in driedelig maatpak met sigaar of pijp tussen de lippen, maar bovenal ook een speeltuin bleek voor hem en zijn zus.
Hun vader, Wim, was conciërge bij de krant en resideerde met zijn gezin in een bovenwoning pal tegen het bedrijfspand, later tot Costerstaete gedoopt. "Ik heb dat naambordje", fluistert Terry.
Hij kent de kantorenkolos op de hoek Wal/Grote Berg/Paradijslaan van binnen en van buiten. Dit was zijn territorium. Dag en nacht leefde hij er en sloeg elk uithoekje op in zijn jongensgeheugen alsof hij voorvoelde dat ooit de dag zou komen waarop hij er als gids de laatste rondgang zou leiden.
Aan de buitenzijde kun je, zo toont hij, goed zien waar het domicilie van de krant in de jaren zestig werd uitgebreid in noordelijke richting. Enkele villa's weken voor de aanbouw.
Staand voor de oude ingang benoemt hij de ED-kantoren die nog op zijn netvlies staan, maar ook de namen van de mensen die ze toen bevolkten: "Phile van Gennip, een zeer aanwezige, robuuste dame, daar zat Ad Brouwers, chef de bureau en daar Anja Lamers van de telefooncentrale."
Hij haalt een medaille uit zijn jas met daarop een fraaie afbeelding van het toenmalige ED-gebouw. Hij blijkt nog veel meer bewaard te hebben dat herinnert aan de krant: naambordjes, loodzetsel, kranten, een opname-apparaat voor doorgebelde artikelen. "Er was ook een maquette van het pand, compleet met verlichting, die hebben ze tot mijn grote woede in een container gegooid." Hij zwijgt een tel: "Maar ik heb nog wel alle sleutels van het gebouw."
Tot begin jaren tachtig werd hier de krant gedrukt, evenals weekblad Groot Eindhoven. Toen de persen naar Best waren verhuisd, namen redacteuren en advertentiewervers bezit van het hele gebouw.
Wie destijds bij de krant goed oplette, zag de jonge Koster overal. Temidden van de journalistieke bedrijvigheid van alledag groeide hij op onder het wakende oog van zijn vader. "Mijn vader ging over de telefooncentrale, de postkamer, de recepties, de kantine en het bowlingtoernooi." Pardon? "Bowlen, ja. Dat deed het personeel heel veel. En je had op Eikenburg de ED-sportdag."
DEEL 2
'Koster junior ervoer de krant als één groot speelparadijs, een spookkasteel waarin hij 's nachts en delen van het weekeinde alleenheerser was. "Ik kende de geheime ruimtes, wist hoe je ongezien van de ene plek naar de andere kon." Hij doolde het liefst door het gebouw als het donker was, zonder enige angst. "Ik hoorde aan het geluid van de deuren of er iemand in het gebouw was.
Elke deur klonk anders."
Een enkele keer zorgde hij zelf voor veel geluid, zoals die keer in 1967 dat hij met carnaval spelend op het besneeuwde dak door een glazen koepel de garage in donderde. Wijzend naar de plek bij de ingang voor de postkamer waar hij terechtkwam, trekt hij een grimas: "Boem, zo op de grond. Hersenschudding. Lag ik geschminkt als indiaan in het Binnenziekenhuis."
Hij gaat voor door de desolate ruimtes die zelfs leeg en verlaten nog immer warme gevoelens in hem oproepen. Wijst naar het lange gedeelte van de parkeerkelder aan de Paradijslaanzijde. "Daar zag je de krant op de drukpers draaien, 64-zijdig, Duits fabrikaat." Hij loopt naar de plek waar de papierrollen werden gelost. De blauw-gele vrachtwagens van Peelen brachten die. "Hier gingen ze op een liftje naar beneden. Wacht even…" Hij zwijgt een moment, kucht. "Zo hol heeft het hier nooit geklonken." Een ondeugende glimlach verschijnt: "We hielden hier races met de elektrische wagentjes waarop de rollen werden vervoerd. Geweldig."
Hij raast twee trappen af naar beneden de donkere kelder in, waar jarenlang de krantenleggers lagen opgeslagen en daar weer vóór dus de pers stond, een tien meter hoog gevaarte.
Bij de lift schiet hem een anekdote te binnen van Johan Osinga. "Een Fries die bij ons op kantoor werkte. Hij had de gewoonte om de lift halverwege de tweede en derde verdieping stil te zetten. Om te slapen. Ons pa heeft een keer die deur op een kier gezet en een klets water over hem heen gegooid."
Op de tweede verdieping waar de redactie zetelde, is de immense redactievloer (sinds 1989) volgens zijn herinnering nog steeds de zetterij van weleer. "Met grote typemachines met bakken lood die hier in rijen opgesteld stonden en een groot deel van de vloer besloegen. Het zwaailicht voor de telefoon, de etserij. O ja…. daarachter zat een geheime tussenruimte, waarvan niemand het bestaan wist. Ik wel. Daar kroop ik vaak weg. Ze hebben het ontdekt, zie ik", zegt hij terwijl hij door de lege archiefruimte schuifelt.
Hij wijst naar boven: "Op de derde etage waar de hoofdredactie zat, kwam ik wel. Als iedereen weg was. Het was míjn plek, míjn kantoor, mijn uitkijkpost. Van daar keek ik uit over Eindhoven." Van achter het raam zag hij de brandweer en de politie uitrukken of gluurde hij de mannen na die aan de overkant onder het pikante muurschild 'O Kruis, onze enige hoop' binnenslopen bij wat een huis van lichte zeden werd genoemd (het huidige Nigthingale; de tekst prijkt nog op de muur) en hij sloeg de bonte stoet van stappers gade als die van het Stratumseind huiswaarts keerde. "O, ik heb hier zo genoten."
Nog één verzoek heeft hij: of hij 'het rookhok van Jos' mag zien. We dalen af naar de krochten van het ED-gebouw waar een bedompte geur hangt van wat ooit is geweest en nooit meer zal zijn. '
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.




Sorteer reacties
















