Rond zeven uur kruip ik in het donker op mijn knieën van het matras, voeten zoekend om op te staan. Wankelend schuif ik richting lichtknop en doe koffie in het apparaat. Inmiddels heb ik genoeg voeten gevonden, om de trap af te dalen en de krant te pakken.
De eerste sigaret van de dag is altijd de lekkerste, dus blader ik rokend wat door de krant, terwijl de koffie de afstervende hersens langzaam schoonwast.
Ik zal vandaag weer iets moeten, maar wat weet ik dan meestal nog niet, omdat ik nog niet werkelijk helder kan denken, zo ik dat ooit heb gekund. Na nog een bak koffie fiets ik naar het station, de rochelfluimen onderweg eerlijk verdelend over links en rechts.
Op het perron kijk ik rokend naar de mensen, die allemaal met hun mobieltjes in de weer zijn.
In de trein blader ik wat door de gratis krantjes, die ik later gebruik om thuis het vuilnis in de vuilniszak mee aan te duwen.
Ik heb nog geen idee waar het in mijn stukje voor de volgende dag over moet gaan en mijn collega’s vragen daar allang niet meer naar, omdat ik tot een uur of elf nog afweziger ben dan ik lijk.
Mijn hoofd voelt dan nog even leeg aan als mijn mond en dat is vrij leeg. Ik kijk in het computerscherm naar het nieuws van de persbureaus, maar op de een of andere manier lijkt dat nieuws steeds meer op elkaar en interesseert het me ook minder.
Dan maak ik mijn scherm nog leger en haal het column-vormpje op, naast mijn schouders zo’n beetje het enige dat ik kan ophalen.
Het vormpje is misleidend, want onder mijn hoofd is alles leeg, terwijl het juist omgekeerd is. Als ik mijn dochter vroeg van school haal, dan moet er snel iets gebeuren.
Dan ga ik buiten een paar sigaretten roken op een bank en denk na over een willekeurige beginzin, zoals: het regende binnen nog harder dan buiten. Klinkt aardig, zegt niks en je kunt nog alle kanten op. Eigenlijk vind ik dat nog het aardigst: zo’n zin intikken en zien wat er gebeurt, waar ik naar toe ga, óf ik wel ergens naartoe ga en zo niet: waar kom ik dan terecht?
Ik doe dit nu tien jaar, dus weet ik uit ervaring dat ik wel ergens terechtkom.
De ene keer op een betere plek dan de andere keer, maar dat heb ik geleerd te accepteren. Op weg naar huis denk ik weleens: misschien had ik dat zus of zo moeten schrijven, maar ik laat het zo. Ik geloof in het moment en thuis heb ik geen computer, dus het is wat het is.
Na de wijn en de bami zit ik wat te rommelen en te roken, totdat ik rond tienen naar de tv luister en nog wat rommel en rook. Om elf uur is het tijd voor een blik sterk bier, nog even wat tv en dan gaat de muziek op.
Dat is het beste moment van de dag: drinken, roken, muziek.
De gedachten en beelden komen dan vanzelf, waarvan ik weet dat ze de volgende ochtend weer verdwenen zijn, als ik van mijn matras kruip.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.





















