Volledig scherm

Jos Kessels blikt terug op het jaar 2016 in kort verhaal 'Jozef'

BESTE LEZERS - Jos Kessels schreef een jaaroverzicht, in boekvorm.

Beste lezer, Begin oktober riep onze hoofdredacteur me bij zich. De krant zat met een probleem. Eerst zou er geen eigen kerstkrant komen, maar nu had de Persgroep besloten dat de regionale kranten toch een eigen kerstkrant zouden maken.

Inleiding
Dat zou een extra belasting voor onze redactie betekenen, temeer omdat de totstandkoming in een periode viel dat onze krant overstapte op een nieuw computersysteem, hetgeen ook om grote inspanningen vroeg. Of ik een jaaroverzicht kon schrijven als kerstbijlage? Eventueel in de vorm van een novelle? Dat overviel me, omdat ik zoiets nog nooit gedaan had. Ik zei dat ik er in het weekend over zou nadenken, pakte mijn jas en ging buiten een paar sigaretten roken. Het was eigenlijk wel spannend, of ik iets kon maken waar ik me niet voor hoefde te schamen, voor mij altijd het belangrijkste uitgangspunt. Na twee sigaretten liep ik naar de hoofdredacteur en zei dat ik het ging proberen, maar dat hij het niet aan de grote of kleine klok moest hangen, want stel dat ik er niet uitkwam? Een paar dagen dacht ik na over de vorm. De suggestie om alle kranten van het jaar te raadplegen legde ik naast me neer. Te tijdrovend en hoe meer je over een onderwerp weet, hoe meer je dat in een verhaal wil verwerken. Mijn ervaring is dat het voor mij in ieder geval niet werkt. Hoe minder ik weet, hoe meer ik zelf kan invullen. Dus kwam ik op het idee van een bibliothecaris en een paar van zijn klanten. Ik had vroeger alle klassen dubbel gedaan op de bibliotheekacademie, zonder later ooit in een bibliotheek te werken. Maar ik had die bibliothecaris wel kunnen zijn. Ik noemde hem daarom Jozef, mijn eerste doopnaam, naar mijn vader. Grote drama’s, klein leed en geluk, ze bepalen het jaar van Jozef.

Hoofdstuk 1
Je had Tinus ‘Torpedo’, voor de tweede keer ongelukkig getrouwd: oorlogsboeken. Je had Tom ‘Treurwilg’, gevangen in een blik op oneindig: existentiële boeken. Je had Wim ‘Waanzin’, psychiater zonder eigen inzicht: krimi’s. Je had Harrie ‘Haché’, de hardste lacher om zijn eigen grappen: dunne boeken. Je had Simon ‘Socrates’, ontslagen denktank: historische boeken. Je had Bingo ‘Boner’, mislukte Amerikaan en gewezen ladiesman: erotische boeken. Allemaal goeie kerels, die een moord deden voor een boek. En dan had je natuurlijk ook nog de vrouwen. Je had Mientje ‘Mineur’, die met klagen klein geworden was: zelfhulpboeken. Je had Leonie ‘Lekkerbekje’, die vissersbloed had: kookboeken. En je had Hennie ‘Hoogtezon’, het hele jaar bruin en gerimpeld: levensstijlboeken. Jozef had ze aanvankelijk die bijnamen gegeven, om hun voornamen en voorkeuren beter te kunnen onthouden, als ze zijn hulp inriepen bij het zoeken naar boeken in de stadsbibliotheek. Niet dat hij zo goed thuis was in al die genres, liever niet zelfs, maar op de een of andere manier vonden ze het prettig om door hem geholpen te worden. Zelf deed Jozef niets liever dan boeken terugzetten op onderwerp en alfabet. Dat was altijd al zo geweest, ook in de oude bibliotheek, waar hij begonnen was. Nu bevond de bibliotheek zich al vele jaren in een groter en nieuwer gebouw precies aan de overkant van het oude gebouw, aan een groot plein. Er was veel veranderd. Tegenwoordig zochten de meeste klanten de boeken die ze wilden op in de computer, ging het uitlenen via schermen en werden de boeken ingenomen door een lopende band, waar bibliotheekhelpers de boeken voorsorteerden, op karretjes legden en dan terugzetten. Jozef hoefde dat werk eigenlijk niet meer te doen, maar stond erop boeken zelf terug te zetten. Dat terugzetten had voor hem een speciale betekenis, die anderen ontging. Het terugzetten van boeken op onderwerp en alfabet gaf hem rust en overzicht in zijn bestaan. Hij bestreed de chaos in het leven met boeken op de juiste plaats terugzetten. Het was zijn antwoord op de overspannen maatschappij, zijn onderduikadres als de bommen en granaten van de wereld hem om de oren vlogen. Want de wereld, groot en klein, stond in brand. Ondanks dat het een milde winter was, waren de gemoederen verhit, ook in de stad. In een van oudsher wat minder sociale buurt zou in een oud klooster een tijdelijk asielzoekerscentrum komen, wat in de buurt voor veel woede zorgde. Tinus ‘Torpedo’ woonde in die buurt en was naar een bijeenkomst gegaan, georganiseerd door de gemeente en de buurtraad. Tinus ‘Torpedo’ vertelde dat zijn buren er het hardst van iedereen hadden staan schreeuwen. Nu moest Tinus ‘Torpedo’ nog maar eens wat kwijt over die buren. De hele zomer door terroriseeerden zijn buren de omgeving met keiharde panfluitherrie, waar diezelfde buren met hun permanente geruzie ternauwernood overheen konden komen. Hun kleine achtertuin was een boksring, waarin ze elkaar bestookten met alle ergernissen die een man en vrouw maar konden bedenken, van een beetje morsen met koffie tot en met een uithangend stukje klimop. Het waren de scènes uit een huwelijk waar je zo ver mogelijk van vandaan wilde blijven. Tinus ‘Torpedo’ mocht het dan ook niet getroffen hebben met zijn tweede vrouw, ze vielen zelfs binnen stil als de buren hun dagelijkse strijd der geslachten voerden. Het was de luisterboekversie van de oorlogsroman die Tinus ‘Torpedo’ juist niet wilde lezen, laat staan horen. En dan nu op die bijeenkomst gezamenlijk tekeer gaan tegen de komst van Syrische vluchtelingen, die een hel ontvlucht waren, waar die buren ook anders zouden piepen. Ja, zei Jozef, de onverdraagzaamheid nam overal toe in ons land. Alle woede en frustratie over het eigen bestaan werden gekoeld op vluchtelingen, die om een helpende hand smeekten. De mensen hier beseften allang niet meer hoe goed ze het hadden, zeker in vergelijking met de sloebers uit de oorlogsgebieden. Tinus ‘Torpedo’ had liever een paar vluchtelingen naast zich wonen dan die asociale buurttirannen met hun panfluitherrie. Maar niet lang daarna trokken de eerste vluchtelingen in het klooster en vochten de buren van Tinus ‘Torpedo’ weer met elkaar.

Hoofdstuk 2
Terwijl Jozef met een halfleeg karretje laat in de middag langs de boekenkasten trok, kwam Bingo ‘Boner’ aanzetten. Hij hoorde het al aan de slepende voetstappen. Bingo ‘Boner’ kwam uit New York en leek op een oude indiaan die het vuurwater in het gezicht en lijf was gaan zitten. Als jonge indiaan had hij met zijn ongewone gelaatstrekken en komisch accent heel wat meiden na sluitingstijd de tipi binnengelokt, maar van veulig opperhoofd was hij veranderd in stamoudste van de platvoeten. Dus zat hij aan de erotische boeken, die hem herinnerden aan de eeuwige jachtvelden. Die Saskia Noort en Susan Smit waren helemaal niks. Lekkere meiden, maar schrijven, ho maar, zei de oude chief. Jozef kon dat alleen maar beamen. Soms probeerde hij lezers boeken af te raden, zoals de pulp van Heleen van Royen, die hij met afkeer terug in de kast zette. Soms doorbrak Jozef zelfs zijn antwoord op de chaos in de wereld door boeken van die vrouwen, samen met zoiets als De uitverkoop van de (p)ik van Nico Dijkshoorn, bewust op een andere plek te zetten, bijvoorbeeld tussen de theologische boeken, een hoek net zo desolaat als de kerk vlakbij de bibliotheek. Jozef kon Bingo ‘Boner’ zo gauw aan niks opwindends helpen, om het eenzame seksleven in de tipi te veraangenamen, want van Vijftig tinten grijs was Bingo ‘Boner’ ook alleen maar grijzer geworden. Jozef liep met Bingo ‘Boner’ naar de kantine, om een bak koffie te drinken. Ze gingen zitten aan een tafeltje naast het tafeltje van een jongeman en een meisje. Het meisje huilde. Nee, ze wilde nooit meer vliegen. Ze was blijkbaar die ochtend met een vriendin al vroeg naar het vliegveld van Zaventem gereden, om een andere vriendin op te halen. Net toen ze de vriendin buiten bij de ingang zagen, hadden binnen twee enorme knallen geklonken en even later renden mensen gillend en in paniek naar buiten, sommigen onder het stof en anderen onder het bloed. Ze hadden hun ogen niet kunnen geloven. In de auto terug hoorden de drie meisjes dat er even later ook nog een aanslag in de Brusselse metro was geweest. En nu zat ze hier, in de bibliotheek, die eens zo veilig leek, maar dat ook niet meer was. Tenminste voor haar niet, zei ze. De jongeman zweeg en streelde een van haar handen. Je was nergens veilig meer, zei het meisje. Ze stond ineens op en liep naar buiten, gevolgd door de jongen. Jozef had het die ochtend al gehoord, van collega’s, die zo’n mobieltje hadden waarop je ook het nieuws kon volgen. Bingo ‘Boner’ wist nog van niks, want die had de hele ochtend nog in de nevelen van het vuurwater gelegen. Ja, het kwam steeds dichterbij, de terreur van IS uit het Midden-Oosten. Waar was je inderdaad nog veilig, vroeg Bingo ‘Boner’ zich net als het meisje af. Jozef zuchtte. Dat was nog het ergste van die aanslagen, dat ze mensen het gevoel gaven dat het overal en op elk moment kon gebeuren. Op elke plek waar veel mensen bijeenkwamen, al hoefde je daar in een bibliotheek niet zo bang voor te zijn.

Hoofdstuk 3
De volgende dag stond Hennie ‘Hoogtezon’ voor zijn neus, die voor haar doen nog bezorgder keek dan anders. Teveel levensstijl kon ook ten koste gaan van het leven. Op de plek waar ze doorgaans iets kwam halen, moest ze nu iets kwijt. Haar zoon Frank, die nog thuis woonde, was verdwenen. Frank studeerde economie. Hij had geen koffer met spullen meegenomen, alleen een jas. Hij was zomaar weg, zonder iets te zeggen of een briefje achter te laten. Zijn telefoon stond ook uit. Hennie ‘Hoogtezon’ had hem al als vermist opgegeven bij de politie, maar de dienstdoende agent had gezegd dat hij wel weer op zou duiken. Misschien zat hij bij een vriendinnetje, dat deden jongens wel vaker, zei Jozef. Ingegeven door de aanslagen in Brussel vroeg Jozef of Frank misschien geradicaliseerd was. Nee, volgens Hennie was het enige radicale aan Frank dat hij zich zelden verschoonde. Misschien een reactie op de behoefte aan levensstijl van zijn moeder, dacht Jozef, maar zei dat maar niet. Tja, wat moest Jozef zeggen? Hij had zelf geen kinderen, dus kon hij zich moeilijk inleven in Hennie, wat onder andere omstandigheden ook al moeilijk voor hem geweest zou zijn. Kwam wel goed, zei Jozef. Hij keek de achterkant van haar gevulde legging na. Hennie ‘Hoogtezon’ nam dit keer geen boeken mee, met Frank was er meer dan stijl uit haar leven verdwenen.

Hoofdstuk 4
Jozef fietste even later naar zijn appartement, waar hij beschutting zocht. Muren vol schilderijen begrensden zijn leven en schermden hem er voor af. Het was zijn zelfgeschapen fantasie, waarin hij zich terugtrok. In de late avonduren dronk hij goedkope wijn en draaide operamuziek, van Wagner, Mozart en Verdi. Maar Cavalleria Rusticana van Mascagni was zijn favoriete opera. Hij las weinig meer, misschien omdat hij voor zijn gevoel genoeg gelezen had. Hij bladerde alleen nog door kunstboeken en veilingcatalogi. Op tv keek hij veel naar voetbal. Hij had zelf lang gevoetbald, maar het einde kwam toen hij uit het zaalvoetbalteam gezet werd, omdat hij steeds meer oog had gekregen voor lijf en leden van de tegenstander. Verder ging Jozef zich nergens aan te buiten, of het moest af en toe de wijn zijn. Vlak na de aanslagen in Brussel stierf Johan Cruijff. Dat overlijden maakte veel jeugdherinneringen weer levend. Hoe hij thuis naar de radio luisterde, toen Ajax uit bij Benfica speelde en met 1-3 won, waarna er een beslissingswedstrijd volgde, in Parijs. Ajax was van jongs af aan zijn club geweest en als jonge puber had hij Cruijff nog zien spelen in De Meer, terwijl zijn oudere broer in de trein op weg naar Amsterdam hem op de voeten kotste. Later had Jozef vaak moeten lachen om de wijsheden van Cruijf, met wie Oranje in 1990 wereldkampioen zou zijn geworden, als uitgerekend Michels niet uit afgunst had voorkomen dat Cruijff trainer van Oranje werd. Anderhalve maand na het overlijden van Cruijff zou Ajax extreem knullig en totaal onverwacht op de laatste speeldag de titel aan PSV verspelen, alsof het zo moest zijn. In de media werd nog meer aandacht besteed aan de dood van Cruijff dan aan de aanslagen in Brussel. Daar kon Jozef zich kwaad over maken, net als hij zich flink kon ergeren aan talkshows op tv, met al die kolossale ego’s. Dan zette hij het geluid af, draaide Le Nozze di Figaro van Mozart en luisterde naar het hemelse Sull’aria, dat harmonie bracht tussen leven en dood. Jozef had een vrouwelijke collega, Dientje, die ook van klassiek hield en fluit speelde, maar zij was te jong voor hem, of misschien was hij wel te oud voor haar. Soms fantaseerde hij over Dientje en haar fluit, tot zover het liefdesleven van Jozef de laatste decennia. Al zat hij er totaal niet mee. Hij hoefde maar aan zijn bibliotheekbijnamen te denken en bij toverslag veranderde de eenzaamheid in zijn beste vriend.

Hoofdstuk 5
Jozef zat in de bibliotheek weer rustig tussen de boeken, toen Leonie ‘Lekkerbekje’ hem met een guitig bedoeld lachje aansprak. Tegenover haar waren Syriërs komen wonen. Zulke lieve en intelligente mensen. Op een dag had Leonie ‘Lekkerbekje’ hun zoontje geholpen, toen die bedreigd werd door enkele kinderen in de buurt. Nog diezelfde avond hadden de ouders en de jongen voor haar deur gestaan om haar te bedanken. Ze had ze binnen uitgenodigd en naar hun verschrikkelijke verhalen geluisterd, want de halve familie was uitgemoord. Leonie ‘Lekkerbekje’ had scholfilet voor ze klaargemaakt, als troosteten, waarna ze de volgende dag door de Syriërs uitgenodigd was en ze falafel had voorgeschoteld gekregen, waarvan ze nu nog op standje oververhit stond, aan haar blos te zien. Tja, zo kon het gelukkig ook, dacht Jozef. Verderop, op een andere afdeling, klonk luid gebroem. Zou wel een fan zijn van Max Verstappen, die in Madrid als eerste Nederlander en jongste coureur een Formule 1-race gewonnen had. De jongste broer van Jozef had dit al jaren voorspeld, dus was Jozef ook blij voor hem. Het was diezelfde broer bij wie Jozef een tand gebroken had, toen ze lang geleden de Rumble in the jungle van Muhammad Ali en George Foreman losjes overdeden in de slaapkamer. Met goedkope bokshandschoenen hadden Jozef en zijn broer op elkaar ingebeukt. De afspraak was niet op het hoofd te slaan, maar omdat zijn jongste broer veel sterker en getrainder was, had Jozef hem op het hoofd geslagen, om hem van zich af te houden, met die kapotte tand als gevolg. Vlak daarna was hun moeder met koffie binnengekomen en had gevraagd of ze toch rustig aan deden. Muhammad Ali was gestorven. Als kind stond Jozef met zijn vader en oudere broers op om zijn gevechten te zien. Cassius Clay heette hij toen nog. De grootste sporter aller tijden, vond Jozef. Maar de groten gingen, net als de kleinen. In een homoclub in Orlando waren zomaar vijftig gasten doodgeschoten. Eerst Parijs en nu dit weer, de wereld was een gewapende glijbaan geworden van krankzinnigen, die geloof uitlegden als schietgebed.

Hoofdstuk 6
De dag na Brexit viste Jozef Gevild en gevlogen van Connie Palmen uit de kast, een biografie over de man van Ma Baker, die aangevraagd was door een of andere verloren wietwalmer bij een dependance van de bibliotheek. Ineens hoorde hij ’ouwe deugniet’ achter zijn rug en een schaterlach. Het was Harrie ‘Haché’, die zijn bijnaam dankte aan Fred Haché, een van de helden van Wim T. Schippers, waar Jozef een liefhebber van was. Harrie ‘Haché’ was getrouwd met een Engelse, die hij gedurende een motortocht door Engeland veroverd had in Bristol, dat toch al klonk als een rovershol. Jozef had Fiona, even dun als haar naam, een keer tussen de boeken ontmoet. Verkeerd adres, had Harrie ‘Haché’ gebulderd. Misschien was Fiona wel overal aan het verkeerde adres, zo keek ze tenminste. Die Engelsen waren nog gekker dan hij dacht, lachte Harrie ‘Haché’. Thuis had de aanloop naar het referendum tot een kleine huwelijkscrisis geleid, want Fiona was voor een Brexit en Harrie ‘Haché’ tegen. Harrie ‘Haché’ was tegen verandering, daarom las hij dunne boeken. Fiona had gezegd dat ze in Londen niet wisten hoe de rest van Engeland eruitzag. En iemand uit Bristol kon dat weten. Dus was Fiona blij met de uitslag. Volgens Harrie ‘Haché’ was Brexit vragen om problemen, al wist hij zo gauw geen voorbeelden, dus riep hij dat de Engelsen graag hun eigen ruiten ingooiden. Jozef vond het ook niet slim van de Engelsen. Hij dacht dat de uitkomst het resultaat was van een jarenlange sluimerende onvrede, over de Europese politiek, de economie en de vluchtelingen. Die onvrede zag hij in de meeste westerse landen. Als de Engelsen een referendum hadden gehouden over het kielhalen van bewegende inboedel van het Lagerhuis, dan waren ze ook voor geweest. De ouderen hadden voor uittreding gestemd, omdat ze aan vroeger dachten, de jongeren tegen, omdat ze aan de toekomst dachten. De consequenties van het besluit waren nog niet te overzien, dus pakte Jozef een dun boekje uit de kast, dat Verras je vrouw met een vriendin heette. Het was net binnen en nog niet beduimeld, zei Jozef. Harrie ‘Haché’ proefde de smaak van de titel en bulderde. Aan Fiona, hoe dun ook, had hij genoeg, maar het kon geen kwaad haar na de Brexit-triomf op stang te jagen.

Hoofdstuk 7
De zomer was aangebroken, maar Jozef was niet van plan ergens heen te gaan. Al jaren waren zijn enige uitstapjes die met zijn familie, waarmee hij een lang weekend op pad ging, meestal vlak over de Duitse grens. Jozef en zijn broers en zus waren erachter gekomen dat je op het schrooteiland van Duisburg net zo veel plezier kon beleven als in Athene of Boedapest. De zomer brak ook aan voor Hennie ‘Hoogtezon’, die er bleek en afgetobd uitzag, alsof de zon op het dieptepunt van haar leven stond. Ze had nog steeds niets gehoord van haar vermiste zoon Frank. Hennie ‘Hoogtezon’ had de media ingeschakeld en er waren foto’s in de kranten en op tv verschenen. Jozef had alleen de foto in de krant gezien. Frank was zo’n jongen met een gezicht waaraan je niks kon aflezen, ook niet dat hij zich zelden verschoonde. Niemand had Frank gezien, niemand had iets van Frank gehoord. Hennie ‘Hoogtezon’ had zelfs contact gezocht met haar ex-man, een alcoholist die allang vergeten was dat hij ooit vader geweest was, wat hij volgens Hennie ‘Hoogtezon’ ook nooit geweest was. Het lor had plat op de vloer van de kroeg gelegen, terwijl zij naar verlossing pufte in het ziekenhuis. Jozef wist niet meer hoe hij haar op moest beuren. Zijn ’het kwam wel goed’ was nooit opgewassen geweest tegen de vele ongeruste, vertwijfelde dagen en nachten van Hennie ‘Hoogtezon’. Boeken over levensstijl konden haar nu gestolen worden. Er was wel een nieuw boek verschenen, dat levensstijl aan spiritualiteit koppelde, Hoe vind ik mezelf terug in anderen?, maar de enige die Hennie ‘Hoogtezon’ wilde terugvinden was haar zoon. De wereld leek dan steeds kleiner te worden, als je iemand zocht was de wereld immens groot. Ze konden een troost zijn, boeken, maar als het verdriet te groot was en te dichtbij kwam, waren ze machteloos. Dan boden boeken geen bescherming meer, moest ook Jozef toegeven.

Hoofdstuk 8
Nadat Hennie ‘Hoogtezon’ de trap af wankelde, ging Jozef verder met terugzetten van boeken. Hij had een leeg gevoel gekregen, alsof hij zelf ook iets of iemand kwijt was. Menselijk leed kende steeds meer gezichten, gezichten die ook door de wanden vol boeken van de bibliotheek heendrongen. Of dat besef nog niet genoeg was, kwam Tom ‘Treurwilg’ de trap op, op zoek naar de zin van het bestaan, wat in zijn geval al helemaal niet meeviel. Tom was een docent filosofie, die er al snel achterkwam dat hij vooral ongeschikt was als leraar. Tom droeg als docent lange colberts, om zijn opvallend dikke kont te verhullen. Toen een wakkere filosofiestudente hem op dat verband attendeerde, was hij geschokt de klas uitgelopen, om nooit meer terug te keren. Sindsdien bracht Tom ‘Treurwilg’ de post rond, omdat ze bij de gemeente al genoeg filosofen hadden en geen geschikter baantje voor hem wisten. Gelukkig voor hem viel het zwartoranje vest over zijn achterwerk, dus hoefde hij zich daar geen zorgen over te maken. Zijn blik stond zoals gewoonlijk weer op oneindig, wat wel weer lastig was als hij post bezorgde. De wereld ging tenonder aan polarisatie, zo begon Tom ‘Treurwilg’. Waarschijnlijk wel, antwoordde Jozef, anders ging de wereld wel aan wat anders tenonder, dacht hij er achteraan. De mens had in de geschiedenis nog nooit zo lijnrecht tegenwoordig elkaar gestaan, ook binnen de landsgrenzen, constateerde Tom ‘Treurwilg’. Oost en west, oost en oost, Amerika en Rusland. In bijna elk land was er een groeiende kloof tussen de politici en het volk, maar ook onder de bevolking zelf. Je hoefde de vluchtelingenkwestie maar te nemen, oreerde Tom ‘Treurwilg’. Jozelf wist niks beters dan het te beamen. Verdraagzaamheid en solidariteit bestonden niet meer, zei Tom ‘Treurwilg’ op tamelijk onverdraagzame toon. Als hij de post rondbracht, kwamen de onvrede en woede uit de brievenbussen, wat je er ook instopte. Jozef zweeg, want hoe hoezeer Tom ‘Treurwilg’ ook gelijk had, soms had je niet alleen geen zin in je eigen gelijk, maar ook niet in dat van anderen. Er was een nieuwe luxe editie van Per ongeluk mens van Broer Donders verschenen. Daar werkte hij Tom ‘Treurwilg’ mee weg.

Hoofdstuk 9
Toen hij thuiskwam lag er een brief op de mat. Uit Frankrijk, aan de postzegel te zien. Links bovenin stond Jean Marais, Rue Rossini, Nice. En daaronder Art & Antiques. Toen wist Jozef het weer. In de tijd dat hij nog ergens kwam, lang geleden, was hij een week in Cannes op vakantie geweest. Daar lagen aan het strand de mooiste meiden en twee keer in de week was er een antiekmarkt op een plein bij de haven, had hij van een verder onbetrouwbare bron vernomen. Hij was naar Nice gevlogen en had daar de bus naar Cannes genomen. Dat van die mooie meiden had hij snel uit zijn hoofd gezet. Jozef was bepaald geen adonis, daar kwam hij met zijn witte walvisbast al snel achter op het strand, anders de mooie meiden wel. Dus klampte hij zich vast aan de antiekmarkten op het plein en de antiekzaakjes in het centrum. Een rondgang leerde dat je van alles van de Fransen kon zeggen, maar dat ze nogal brutaal waren in het prijzen van hun schilderijen en antiek. De franc was toen nog dokmiddel en een nulletje meer, daar draaiden de Fransen hun hand niet voor om. ’s Avonds liet Jozef in een dure hotelbar, want fatsoenlijke kroegen, daar deden de Fransen niet aan, de schilderijen en de prijzen op zich inwerken. Dat ging niet meevallen, rekende hij uit, terwijl een blond plaatje naast hem kwam zitten, dat nog kon praten ook. En blijkbaar ook drinken, want ze vroeg of ze een glas champagne van hem kreeg. Misschien dat het blonde plaatje iets te vieren had, maar Jozef niet, dus droop ze boos af en ging verderop langs een pooierachtig type zitten, die haar met een tik op de bil begroette. Op de antiekmarkt in Cannes hoorde Jozef dat er een veel grotere markt was in Nice, elke maandag. Dus pakte Jozef maandagochtend de trein naar Nice. Inderdaad, de antiekmarkt was veel uitgebreider. Na de marktronde had hij twee schilderijen uit de negentiende eeuw gezien, die hem bekoorden en die hij gemakkelijk in het vliegtuig kon vervoeren. Een idyllisch landschap met een blote vrouw en een sterfscène uit de Griekse of Romeinse mythologie, toevallig ook een blote vrouw, omringd door uitzinnig rouwende naasten. Ze waren niet gesigneerd, wat vaker voorkwam, maar Jozef had genoeg schilderijen gezien om te kunnen beoordelen dat het om goede kunstenaars ging. Hij zou moeten kiezen, want hij had geen geld voor allebei. De keuze was snel gemaakt, want hoe idyllisch een linnen blote vrouw in een landschap ook was, dat was toch meer een tafereel dat je graag in werkelijkheid zag. Dus liep hij terug naar de handelaar met de sterfscène. Of die Engels sprak? Un peu, yes. Jozef begon de onderhandelingen met de constatering dat een sterfscène net zo slecht in de markt lag als een visstilleven. Maar monsieur zag toch wel dat het een olieverfschets was van een begaafde meester, als voorbereiding op een groot schilderij? Ja, dat zag Jozef ook wel. Na wat gepingel over en weer kocht Jozef het. De Franse handelaar vroeg naar zijn adres in Nederland, want als hij ontdekte van wie de schets was, zou hij het hem laten weten, als extra service. En nu was er dus die brief. Jozef opende hem en hij had het goed geraden. Het ging over het schilderij. Het was een voorstudie van De dood van Cleopatra van Gustave Boulanger, een heel behoorlijke Franse neo-classicistische schilder uit de negentiende eeuw. De handelaar had het schilderij van Boulanger in een veilingcatalogus gezien, later contact gezocht met de koper en gezegd dat hij een schets van het schilderij had gehad en verkocht aan een Nederlander. De eigenaar wilde ook graag de schets, dus bood de handelaar aan het schilderij van Jozef terug te kopen, voor vijf keer de prijs die Jozef betaald had, maar ook zou opdraaien voor de vliegkosten en alle verblijfskosten, als Jozef naar Nice kwam. Jozef verkocht zelden schilderijen, maar dit was een aantrekkelijk voorstel. Dus belde hij de handelaar en ze prikten een datum. Jozef zou op 13 juli naar Nice vliegen, waar ze de volgende middag, op de Franse nationale feestdag, in het hotel de verkoop konden regelen.

Hoofdstuk 10
De avond voor de vliegreis haalde Jozef het schilderij van de muur en hing er een boer op een kar in het avondlicht van schilderdrinker Janus Sibens voor in de plaats, dat op de vloer van de slaapkamer had gestaan. Cleopatra werd nu al niet meer gemist. Hij stopte het schilderij in een plastic supermarkttas, want Jozef deed nooit duur over zijn schilderijen, die slechts enkelen gezien hadden, omdat hij er niet mee te koop liep. De volgende ochtend reisde hij met de trein naar Schiphol en nam daar in de middag het vliegtuig naar Nice, een kleine twee uur vliegen. Naast de tas met het schilderij nam hij als bagage nog een andere plastic tas mee, met t-shirt en ondergoed. Bovengoed interesseerde hem niet. Hij had alleen in militaire dienst een stropdas gedragen en zijn colberts waren al afgedragen voordat hij die kocht. Op het vliegveld in Nice werd hij zwaar gecontroleerd en hij moest vragen beantwoorden over het schilderij, maar even later nam hij onder een palmboom een taxi naar het hotel, waar Jean Marais een kamer voor hem gereserveerd had. Een sjiek oud hotel, een straat verwijderd van de zee. Zo’n hotel, waar Jozef nooit zou zitten als een ander het niet betaald had. Bij het inchecken vertrok de deftige balieman nog minder dan een spier, toen hij de zeker in deze omgeving haveloos ogende Jozef met zijn plastic zakken het kaartje van de hotelkamer gaf. Fransen mochten dan arrogant zijn, ze koesterden ook een stille bewondering voor lui die uit de toon vielen. De hotelkamer was dik in orde en Jozef opende de deur naar het kleine balkon, waar hij uitkeek op de achterkant van de huizen en hotels aan de boulevard. Hij liep naar buiten, werd in de lobby nagestaard door de gasten en wandelde naar zee. Het was in de avondzon nog druk op het strand, ondanks de keien die er lagen. Jozef ging op een bank zitten. Zo, niet verkeerd, het leven, bedacht hij, terwijl zijn ogen rustten op een bepaald niet vegetarische bikini. Verderop plonsden als contrast vrouwen in boerkini’s. Jozef genoot van de levendige en vredelievende aanblik die het strand bood. Hij kocht bij een strandtentje een Pan Bagnat, een kolossaal rond broodje met tonijn, sla, tomaat, ansjovis en ei. Daar was een maag voorlopig klaar mee. In de avond slenterde hij wat langs de terrasjes, stopte voor de etalages van kunsthandels en dronk in de hotelbar nog een paar glazen goede wijn. De volgende ochtend liep hij weer naar het strand. Het was de Franse nationale feestdag, dus was er al veel volk. Die middag wachtte hij in de lobby op Jean Marais. ‘Monsieur Joseph?’, klonk het uit de mond van een man in een pak, die hij niet herkende. Het was tenslotte twintig jaar geleden en op de markt had hij kort met hem onderhandeld. Ze waren allebei ouder geworden, wat de een gemakkelijker toegaf dan de ander. Jean had een koffer bij zich, zodat het leek of niet Jozef, maar hij de hotelgast was. Ze namen de lift naar de kamer van Jozef en daar pakte hij De dood van Cleopatra uit de plastic zak. Er zat nog stof van bij hem thuis op, zag hij nu. Ah, zei Jean, nog mooier dan hij zich herinnerde. Hij opende de koffer en haalde daar een rol van het bekende pastic bolletjespakpapier uit en even later verdween Cleopatra zorgvuldig ingepakt definitief uit het leven van Jozef. Jean overhandigde hem een envelop met een flinke stapel vijftigjes en nodigde Jozef uit voor de avond, om in een restaurant de zaak te vieren. Het restaurant was vlakbij het hotel en Jean zou hem komen ophalen. Hij bleek niet alleen te zijn. Jean had zijn vriendin meegenomen, een jonge vrouw die haar lichaam niet had vergeten mee te nemen. En die had weer een vriendin bij zich, die haar lichaam wel vergeten leek. Misschien dat Harrie ‘Haché’ er met zijn voorkeur voor dun voor was gevallen, maar dat moest je aan Harrie ‘Haché’ vragen en die was er nu net niet bij. Het was zo’n trendy restaurant met vooral grote borden en weinig erop. Dat weinige werd dan opgedist als moderne kunst, maar Jozef moest dat niet op zijn bord hebben, laat staan aan de muur. Maar het werd best gezellig. Jean had zo goed geboerd met de kunst en antiek dat hij zijn vrouw ingeruild had voor de jonge versie. Die jonge versie praatte met haar vriendin het hele diner over nagels lakken, zodat Jozef en Jean ongestoord over voetbal praatten. Jean was nog steeds aangeslagen door de nederlaag van Frankrijk dat weekend in de finale van het EK tegen Portugal. Daar hadden de Fransen totaal niet op gerekend en het verpestte ook een beetje de nationale feestdag. Om hem te troosten keken ze alvast vooruit op de poulewedstrijden tussen Frankrijk en Oranje voor het komende WK. Jean en de vrouwen wilden nog naar een vuurwerk aan het strand gaan kijken, maar Jozef had met de vriendin van Jean al genoeg vuurwerk gezien, dus namen ze afscheid bij het hotel.

Hoofdstuk 11
In zijn hotelkamer pakte Jozef een flesje wijn uit het kamerkoelkastje, ging met het glas op het kleine balkon staan en keek naar het vuurwerk, dat boven de huizen aan de boulevard knalde en oplichtte. Er klonk applaus en even was het stil, toen hoorde hij een dreunend geluid en gegil. Verschrikkelijk gegil, dat ineens van overal leek te komen. Van de boulevard, van de zijstraten, zelfs uit de huizen. Door een grote poort in een zijstraat zag hij vanaf zijn balkon in paniek mensen rennen, mannen, vrouwen, kinderen. Verderop klonken sirenes. Wat was er gebeurd? Hij opende de deur en zag een paar mensen door de gang rennen, naar de liften. Jozef deed de deur weer dicht en liep naar het balkon. Er moest iets vreselijks gebeurd zijn, want het gegil nam alleen maar toe. Smartelijk, wanhopig klonk het, alsof uit de hemel pijn en verdriet neerdaalden in de straten. Hij zette de tv aan en toen zag hij wat een straat verder, aan de boulevard gebeurd was. Een grote vrachtwagen had zich in de feestende massa geboord. Het was krankzinnig, het was onwerkelijk. Hij hoorde geschreeuw en gegil op tv en hij hoorde het buiten. Nu zag hij zelfs tv-beelden met op de achtergrond de bank aan het strand, waar hij de avond tevoren nog gezeten had. Hoe ontspannen had hij daar gezeten, hoe onbekommerd hadden de Fransen en de toeristen er aan het strand gelegen. Alles was kapot. Hij vroeg zich af of Jean en de vrouwen nog leefden, maar hij wilde niet aan de boulevard gaan kijken, want hij zou er alleen maar afgrijselijke taferelen en paniek aantreffen. Hij sloot de deur naar het balkon en keek naar de tv, zittend op de rand van het bed, stil, als een beeld van Rodin. Bijna de hele nacht bleef hij zo zitten, het koelkastje leegdrinkend. God, wat zou hij nu graag naar de aria Cor Vide Meum van Patrick Cassidy luisteren, die wondermooie bezwering van de dood, die kalmerende en troostende engelengezangen na het diepste verlies. Jozef zocht in zijn hoofd vergeefs naar hun stemmen. Over Jean en de vrouwen hoefde hij zich geen zorgen te maken, want hij had ze later in de nacht op een van de tv-beelden zien weglopen, net als zoveel anderen. In het licht van de ochtend liep hij naar buiten. In de lobby hing een loodzware stilte, het hotelpersoneel keek dof voor zich uit. De boulevard was afgezet en er klonken nog steeds sirenes. Er lagen ook bloemen op de grond. In de verte zag hij de witte vrachtwagen van de dood. Jozef liep terug naar het hotel en bleef op de rand van het bed zitten, tot het tijd werd om het vliegtuig terug te nemen. Op het vliegveld patrouilleerden overal gewapende militairen en was aan de gezichten van de reizigers af te lezen dat ze zo snel mogelijk wegwilden, uit het paradijs dat in de hel was veranderd. Op Schiphol werden Jozef en de andere reizigers uit Nice met nieuwsgierigheid en medelijden bekeken, alsof ze voor altijd gebrandmerkt waren door het drama. Weer thuis probeerde Jozef afscheid te nemen van de beelden en van de meer dan tachtig doden in Nice. Gelukkig zou hij er in de bibliotheek geen vragen over krijgen, omdat hij niemand verteld had over zijn reis naar Nice.

Hoofdstuk 12
Die avond staarde Jozef voor zich uit naar de tv, toen hij ineens rare beelden uit Turkije zag. Daar wilden militairen een coup plegen en even later kwam Erdogan in beeld, die met een lullig mobieltje het volk opriep zich te verzetten tegen de coup. Het leek wel slecht amateurcabaret. Wat was dit nou weer, meteen de avond na Nice. Werd de wereld overgenomen door nog grotere gekken dan voorheen? Jozef draaide de dop van een nieuwe fles rode wijn, want drank moest hem helpen in slaap te vallen, om even te ontsnappen aan de doorgeslagen onrust in de wereld, die van ver en nabij de huiskamers binnendrong, die zijn leven was binnengedrongen. In de bibliotheek probeerde Jozef weer orde en overzicht te scheppen in zijn bestaan door boeken alfabetisch terug te zetten, toen plotseling een schim naast hem opdoemde. Het was Simon ‘Socrates’, die ooit op hoog niveau had mogen meedenken over integratie, maar al uitgedacht was voordat bekend werd dat de integratie mislukt was. Simon ‘Socrates’ leefde sindsdien van een uitkering, omdat nergens meer prijs gesteld werd op zijn gedachten. Hij had zijn huis moeten verkopen en woonde nu in een Turkse buurt, waar een permanente vleeslucht hing, om nog maar eens aan te geven dat zijn gedachten er hier niet meer toe deden. Hij had een baard laten staan, om toch nog iets aan zijn denktankverleden over te houden, zodat hij leek op een borstbeeld van de Griekse wijsgeer. Wat er ineens met die Turken was, zo begon Simon ‘Socrates’. Hoezo, vroeg Jozef. Eerder slachtten de Turken nog gezellig zij aan zij beesten voor het offerfeest, maar nu gooiden ze bij elkaar de ruiten in, zei Simon ‘Socrates’. Het had te maken met ene Gülen, die in Amerika zat. Die had een heleboel aanhangers en die zaten waarschijnlijk achter de coup in Turkije. In historische boeken was Simon ‘Socrates’ die Gülen nog niet tegengekomen, want Simon ‘Socrates’ zat bij voorkeur wat verder terug in de geschiedenis, maar misschien moest hij zich toch wat meer gaan verdiepen in de Turken van tegenwoordig. Ja, Jozef had die naam ook horen vallen. Vroeger een maat van president Erdogan, maar nu zijn grootste vijand. In Turkije waren na de coup grote zuiveringen gaande en de ellende beperkte zich niet tot daar, maar kwam ook tot hier. En Simon ‘Socrates’ zat er midden tussenin. Tussen daar, waar je niet tussenin wilde zitten. De integratie was helemaal mislukt, zei Simon ‘Socrates’, op een toon, of hij daar nu pas achterkwam. Jozef zei niets en stopte de thriller De kogel in de kerk van Esther Verhoef terug in de kast, een te verwaarlozen boek, maar daar waren er wel meer van. Misschien dat de geschiedenis zelf hem nu zelf inhaalde, zo keek Simon ‘Socrates’ alvast vooruit. Simon ‘Socrates’ liep naar de rij kasten met historische boeken, waar de gewezen denktank nog wat voor zich uit zat te mompelen, totdat hij het boek Cold Turkey vond en dat vasthield als een broodje kebab. Dat was een begin, zei hij tegen Jozef in het voorbijgaan.

Hoofdstuk 13
De zomerzon scheen door de grote bibliotheekramen en in een luchtig bloemenjurkje doemde Hennie ‘Hoogtezon’ tussen de levenloze boeken op. Ze had zowaar weer wat kleur, al stonden haar ogen nog steeds dof en doods. Nee, nog niets gehoord van haar verdwenen zoon Frank. Hennie ‘Hoogtezon’ was net terug van vakantie. Ze was met een vriendin en haar man, die de stookkosten op de koop toe namen om ook in de winter thuis bloot rond te kunnen hangen, naar een nudistencamping in Zuid-Frankrijk geweest, om de zinnen te verzetten. Hennie ‘Hoogtezon’ had zich er wijdbeens overgegeven aan de natuur en de nodige lichamelijke steun gekregen, zoals ze het uitdrukte, maar veel geholpen had het niet. Ze had nog naar haar zoon willen zoeken, maar bloot op een nudistencamping was de kans klein dat ze hem zou vinden. Ze sliep nog steeds slecht, maar had de hoop nog niet verloren. Jozef had net een nieuw boek binnen, De maagdenbron van onbespoten levensgeluk, maar de titel alleen al stond haar tegen. Dus verdween ze weer met lege handen, in de schaduw van haar eigen schaduw. In de avonden keek Jozef in deze dagen naar de Olympische Spelen in Brazilië, meestal zonder geluid, omdat de opera’s van Mozart en Wagner de sporters naar een hoger plan tilden en iets verhevends gaven, alsof hun ziel doorklonk in de beelden. Hij had echter wel degelijk het geluid aan bij de extreem dramatische wielerwedstrijd bij de vrouwen, met die verschrikkelijke val van Annemiek van Vleuten en de daaropvolgende jump van Anna van der Breggen. Hier hoefde je geen operamuziek bij te horen, de wielersopranen zongen hun eigen aria’s van verlies en vreugde. Het tweede hoogtepunt was de bloedstollende oefening van Sanne Wevers op de evenwichtsbalk. Ongelooflijk, hoe dat kleine meisje als een vlindertje danste op de balk. Jozef durfde bijna niet te kijken en hield zelfs thuis zijn handen klaar, om haar op te kunnen vangen, als ze zou vallen. Bingo ‘Boner’ begon er de volgende dag in de bibliotheek ook over. De oude chief en gevallen hartenbreker sprak vol vuur over de turnster, waar hij in zijn lenige jaren wel raad mee had geweten. Bij Bingo ‘Boner’ duurde het meestal maar een bijzin voordat hij op zijn stokpaardje zat. Volgens Bingo ‘Boner’ was het de laatste tijd maar behelpen met de erotische boeken. Hij werd er in de tipi niet warm of koud van. Dus keek hij wat meer porno, die hij tweedehands in een aftands winkeltje kocht, bij een in de neus peuterende oude viespeuk, die aldoende de dvd’s extra plakkerig maakte. Jozef wilde het liever niet horen. Eerst Hennie ‘Hoogtezon’ met haar nudistenverhalen en nu Bingo ‘Boner’ met zijn tweedehands porno. Er was een nieuw boek uit, Bekentenissen van een slaapkamervlieg, van Donna Double. Met weinig vertrouwen nam Bingo ‘Boner’ het boek mee.

Hoofdstuk 14
In de bibliotheek dacht Jozef weinig aan de aanslag in Nice, maar ’s avonds, nu de Olympische Spelen voorbij waren, kwamen de beelden en geluiden terug. Hij zag de mensen weer in paniek rennen, hij hoorde het gegil weer. Jozef verzette zich niet tegen de dramatische beelden en geluiden, dat had geen zin. Hij werd er ook telkens aan herinnerd door de aanslagen van radicale eenlingen in Duitsland en Frankrijk, of het bericht dat er IS-terroristen via de vluchtelingenstroom op weg waren naar het westen. De envelop met het geld van het schilderij lag sindsdien in een kastje. Het was een soort bloedgeld geworden, alsof de biljetten het loon van de gruwel waren. Geld waarvoor hij zich schaamde, omdat hij er niks mee kon of wilde doen. Maar het was nu eenmaal zo gelopen. Hij had geen contact meer met Jean Marais gezocht. Het was een hoofdstuk dat hij graag wilde afsluiten, maar de hoofdstukken die je wilde afsluiten, waren juist de hoofdstukken die zich niet wilden laten afsluiten. Hoofstukken in het leven lieten zich moeilijker afsluiten dan hoofdstukken in boeken. Hij keek naar zijn favoriete boek Mysteriën van Knut Hamsun, dat onder het stof in een klein boekenrijtje op de grond stond. Een boek dat vooral zelf een mysterie was. Misschien moest hij het nog maar eens herlezen, voor de zoveelste keer. Jozef liep naar de koelkast om nog een glas wijn in te schenken. Daarna keek hij naar zijn schilderijen, om er zichzelf in te kunnen verliezen. De volgende dag doemde Wim ‘Waanzin’ tussen de boeken op. Jozef had hem lang niet meer gezien, want de krimi-liefhebber had in Rusland gezeten. Niet om Poetin te bezoeken, maar om een vrouw te zoeken. Om onverklaarbare redenen was Wim ‘Waanzin’ een succesvol psychiater, die flink geld verdiende met ongelukkigen uit en af te knijpen. Wim ‘Waanzin’ zou trouwens de laatste zijn tegen wie Jozef over Nice zou beginnen, want dan kreeg hij er, waarschijnlijk niet eens gratis, nog een trauma bij. Hoe succesvol Wim ‘Waanzin’ ook leek als psychiater en hoe gespecialiseerd hij ook was in relaties, hij had verdacht weinig succes gekend bij de vrouwen. Daar stond hij als psychiater ongetwijfeld niet alleen in. Na een congres in Moskou was hij een tijd langer in de stad blijven hangen, om een vrouw te vinden. Hij deed zijn bijnaam dus alle eer aan, dacht Jozef. Wim ‘Waanzin’ bezocht er speciale bijeenkomsten van vrouwen, die graag wilden trouwen met welgestelde westerlingen. Treurig gedoe, dacht Jozef, echt iets voor psychiaters. Na lang zoeken en veel wodka had Wim ‘Waanzin’ haar eindelijk gevonden, de beeldschone Ludmilla, uiteraard veel jonger. Ludmilla was helaas wel een zware fan van Poetin. Ze had zelfs een portret van haar leider meegenomen, dat nu boven het bed hing. Elke keer als Wim ‘Waanzin’ in bed bezig was zich als missionaris in te graven bij Ludmilla en dan per ongeluk recht voor zich uit keek, keek hij in het strenge gezicht van Poetin, zodat Wim ‘Waanzin’ weer snel naar beneden keek, waar het tenslotte te doen was. Ludmilla wilde ook per se Russische tv kijken, dus had hij een ander abonnement moeten nemen. Die Russische tv was een verhaal apart, zei Wim ‘Waanzin’. Alleen maar nieuws verdraaien en propaganda. Zelfs bij de ramp met de MH17 deden de Russen net of ze er niks mee te maken hadden, dat het allemaal de schuld was van de Oekraïners. Voor de rest kreeg het westen overal de schuld van en anders Amerika wel. Wim ‘Waanzin’ had geen krimi’s meer nodig, dacht Jozef, hij had een krimi in huis gehaald. Daarom pakte Jozef In Goelag met Ludmilla uit de kast, een boekje van Leo van Vlijmen, dat Wim ‘Waanzin’ nog even kon doorbladeren, op weg naar zijn emotionele en financiële ondergang.

Hoofdstuk 15
Sinds kort werkte er een nieuwe vrouwelijke collega op de afdeling van Jozef. Ze heette Lucia, had vuurrode lange haren en kon zo weggelopen zijn uit een negentiende-eeuws schilderij van de beroemde Engelse Prerafaëliet Dante Rossetti. Dus als Jozef haar zag, hoorde hij in zijn hoofd de waanzinaria uit de opera Lucia Di Lammermoor, een aria waar hij eerder ook Wim ‘Waanzin’ op geattendeerd had, die daar nu meer aan toe was dan ooit. Maar Lucia was de reden dat Bingo ‘Boner’ nog vaker dan anders langskwam, ook al zat er weinig schot meer in de erotische boeken. Die Lucia, begon Bingo ‘Boner’, wist Jozef daar meer van? Een ouwe indiaan was al geen al te gunstig gezicht, maar een begerige ouwe indiaan was al helemaal geen gunstig gezicht. Maar Bingo ‘Boner’ betekende niks in het leven van Lucia, nog minder dan een ganzenveer in een hoofdtooi. Zij hokte sinds kort samen met een tamelijk donkere jongeman, Dano, volgens Lucia een kunstenaar, ongeschikt voor het juk van een werkgever. Vandaar dat Dano veel vrije tijd genoot, genoeg in ieder geval om zich op te werpen als pleitbezorger van Witte Piet. Dano had een affiche in elkaar geflanst met de slogan Geef Zwarte Piet de zak. Daaronder had hij een tekening gekrabbeld, waarop met veel goede wil een Sint achter een bureau te ontwaren viel, die Zwarte Piet de deur wees. Wie niet de moeite nam goede wil te tonen om de krabbel te ontrafelen, kon de slogan natuurlijk op allerlei manieren uitleggen, maar dat was niet tot Dano doorgedrongen, die misschien rijp was voor een consult bij Wim ‘Waanzin’, als die het tenminste niet te druk had met het ontwijken van het strenge hoofd van Poetin. Lucia had trots een stapel exemplaren van de poster laten drukken en wilde daar nu de bibliotheek mee volhangen, speciaal de kinderboekenafdeling. De enige plek voor de affiches waar Jozef vrede mee zou hebben was de galerij waar nu de portretten van stadsdichters hingen, die hij graag in de kelder zag verdwijnen. Lucia wilde in de bibliotheek ook een Zwarte Pietendiscussie op gang brengen en daar Dano voor uitnodigen, maar daar zaten de bibliothecarissen al helemaal niet op te wachten. Jozef vond het flauwekul, die hele Zwarte Pietendiscussie. Typisch gedoe van lui die aandacht wilden en altijd op zoek waren naar podia, waarop ze konden roepen dat ze gediscrimineerd werden. De bibliothecarissen besloten dus dat het Witte Pietenfeest niet doorging en dat Dano maar een andere plek moest zoeken om zijn rommel op te hangen, al werd het Lucia iets vriendelijker duidelijk gemaakt. Het bekoelde wel de verhouding tussen Lucia en Jozef, maar in een bibliotheek had je boekenkasten, om je daar voor af te schermen.

Hoofdstuk 16
Intussen werd het nieuws nog steeds bepaald door de tragische bootvluchtelingen, de oorlog in Syrië, de strijd tegen de krimpende IS, de dreiging van aanslagen en de bemoeizuchtige Turken. Harrie ‘Haché’ bracht onverwacht verlichting. Hij was weer eens door zijn dunne boeken heen en danste de bibliotheek binnen. Hij had de mooiste vrouw die hij ooit gezien had een hand gegeven, al had hij tegen zijn vrouw Fiona gezegd de op een na mooiste, bulderde Harrie ‘Haché’. Zijn Engelse vrouw Fiona had hem gedwongen mee te gaan naar Den Haag, waar Kate Middleton, oftewel de aanstaande Britse koningin, op bezoek kwam. Jozef had ze eens moeten zien, ze was het levende bewijs van hoe gracieus dun kon zijn. Fiona wilde Kate per se een hand geven, dus had Harrie ‘Haché’ zich ook niet onbetuigd gelaten. Dat handje, je wist niet wat je voelde, lachte Harrie ‘Haché’, terwijl hij goedkeurend naar zijn kolenschoppen keek. Jozef hoopte dat ook Kate haar handen nog had. Hij overwoog de roman De ziekte van Middleton van Gerrit Krol in die kolenschoppen te stoppen, maar dat was van omvang en inhoud een te lijvig boek voor Harrie ‘Haché’. Dus pakte Jozef De parel van de Bermudadriehoek, een bescheiden werkje over een vrouw, die opgedoken was, voegde Jozef er als magere toelichting aan toe. Harrie ‘Haché’ bulderde dat hij daar wel van hield, van vrouwen die opdoken. Na de pepernotenversie van de waanzinaria van Lucia en Dano laaide in de bibliotheek een nieuwe discussie op: had Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur nou wel of niet verdiend? Die prijs ging de laatste jaren naar de meest onvindbare boeken. In de bibliotheek hadden ze daarom onder elkaar zelfs een keer een wedstrijd gehouden, wie in een kwartier tijd de meeste boeken van Nobelprijswinnaars kon vinden. Hoofdprijs een gevulde koek. Jozef had gewonnen, maar vraag niet hoe en met hoe weinig. De gevulde koek, oftewel de gevolde koek, zoals prins Bernhard het uitsprak, had hij weggegeven, want die had hij in zijn diensttijd genoeg gegeten voor de rest van zijn leven. Volgens sommigen was Dylan geen literatuur en volgens anderen weer wel. Jozef wist dat Dylan vroeger een boek had geschreven, Tarantula, dat de Nobelprijs voor wartaal verdiende. Dus was de prijs verdiend en wat Jozef betrof discussie gesloten.

Hoofdstuk 17
In de bibliotheek werden een paar keer per jaar om onduidelijke redenen lezingen gegeven. Meestal was de reden achteraf nog onduidelijker dan vooraf. Soms had Jozef dan corvee, zoals hij het noemde. Het betekende een kar boeken sorteren over het thema van die avond en stoelen klaarzetten en na afloop weer terugzetten. De laatste keer dat Jozef dienst had, was een trendwatcher komen praten over de kunst van het in de toekomst kijken. Het was vooral kunst en vliegwerk geweest, waar de trendwatcher mee was gekomen. Tot verbazing en ergernis van de trendwatcher waren er dan ook geen vragen na de lezing. De aanwezigen hadden allemaal genoeg van de toekomst. Ditmaal kwam een afgestudeerde politicologe praten over verkiezingen, de Amerikaanse verkiezing in het bijzonder, die voor de deur stond en tussen Hillary Clinton en Donald Trump ging. Bingo ‘Boner’ zou wel niet naar de lezing komen, want verder dan dat Bill Clinton tenminste wist wat geen seks was, liet hij zich niet over de materie uit. Tinus ‘Torpedo’ was er wel, die greep elke kans aan om gratis een avond verlost te zijn van de luidruchtig ruziënde panfluitburen. De politicologe zag er niet uit of ze iets overgehouden had aan haar studie en begon al snel over de smeerlapperij in de aanloop van de Amerikaanse verkiezingen. Jozef had niks met Trump en Clinton. Barack Obama was oké geweest, Michelle Obama meer dan oké. En dan konden de Amerikanen nu kiezen tussen een koele, berekenende politica van de gevestigde orde en een ongeleid projectiel, dat de wereld in gevaar kon brengen. Het was duidelijk waar de sympathie van de politicologe lag en ze begon Clinton zo op te hemelen, dat het ook weer bijna verdacht werd. Gelukkig duurde de lezing niet lang en waren er maar een paar vragen, waaronder eentje van Tinus ‘Torpedo’, waaruit je kon opmaken dat hij gecharmeerd was van de politicologe. Hij wilde namelijk weten wat ze deed als ze niet in de boeken zat. Zeilen, zei de vrouw, en daar kon Tinus ‘Torpedo’ het mee doen. Om nog niet naar huis te hoeven hielp Tinus ‘Torpedo’ mee met stoelen opruimen, omdat hij volgens eigen zeggen toch een beetje bij het meubilair van de bibliotheek hoorde, want aan oorlogsboeken kwam nooit een eind. Jozef en Tinus ‘Torpedo’ waren het er over eens dat de Amerikanen, hoe groot het land ook was, bitter weinig te kiezen hadden met Clinton en Trump. Tegen alle verwachtingen in werd Trump kort daarna de nieuwe president, omdat hij oude tijden beloofde aan de blanken zonder toekomst. Maar die blanken zonder toekomst zouden er achter komen dat ze er nog minder toekomst bijkregen. En die politicologe? Die zou wel vaker gaan zeilen, maar niet richting Amerika.

Hoofdstuk 18
Op een zachte decembermiddag liep Hennie ‘Hoogtezon’ opgewonden naar Jozef toe, die wat voor zich uit zat te kijken. Ze had een brief in de hand. Van Frank, zei ze met overslaande stem. Eindelijk, dacht Jozef, was het dan toch goed afgelopen. Frank leefde nog, in Frankrijk. Hij schreef dat hij was vertrokken omdat hij niks meer te maken wilde hebben met de wereld, niet met de oorlogen, de aanslagen, de vluchtelingen, het materialisme, het egoïsme en de onverdraagzaamheid. Als student economie wilde hij geestelijk niet failliet gaan aan de wereld. Frank had een Amerikaanse film gezien over een jongen die om soortgelijke redenen de natuur was ingetrokken en was zo op het idee gekomen. Frank was naar Zuid-Frankrijk gelift, had een tijdje rondgezworven en zich toen teruggetrokken in een hut in de heuvels. In een bijna verlaten gehucht daar vlakbij werkte hij bij een paar boeren en kreeg net genoeg geld om eten te kopen. Frank had zijn moeder niks laten horen, omdat hij wist dat het dan afgelopen was met zijn periode van bezinning. En wat bleek, de hut in de heuvels lag maar een paar kilometer verwijderd van de nudistencamping, waar Hennie ‘Hoogtezon’ bloot had rondgelopen. Dus, dacht Jozef, als Hennie ‘Hoogtezon’ een keertje de moeite had genomen wat kleren aan te doen en in de heuvels was gaan wandelen, dan had ze hem zomaar kunnen vinden. Frank droeg inmiddels een flinke baard, verschoonde zich vermoedelijk nog steeds zelden, maar had ook groot nieuws. Hij wilde trouwen met de door hem al bezwangerde Bernadette, dochter van een van de boeren, waar hij voor werkte. Maar hij had geen geld voor de bruiloft en de boer ook niet. Hennie ‘Hoogtezon’ had ook weinig geld, maar ze was al veel te blij dat Frank nog leefde. Jozef dacht even na en vroeg Hennie ‘Hoogtezon’ de volgende dag terug te komen. Jozef gaf haar de envelop met geld, die hij in Nice van Jean Marais gekregen had voor het schilderij. Nee, hij hoefde het geld niet terug. Het was een cadeau, maar onder één voorwaarde: dat de bruiloft aan de boulevard van Nice gehouden zou worden. Hennie ‘Hoogtezon’ keek hem dankbaar, maar ook niet begrijpend aan. Hij drukte de hand van Hennie ‘Hoogtezon’ wat steviger om de envelop met geld. Het was goed zo, zei Jozef.