article
1.6565240
HELMOND - Tania Heimans, stadsschrijver van Helmond brengt kleine historische verhalen tot leven. Maandelijks in deze krant een wedergeboorte. Deze keer neemt Maria van Brabant het woord. De eerste vrouwe van Helmond heeft duidelijk wat recht te zetten.
Tania Heimans brengt verhalen tot leven in Helmond
HELMOND - Tania Heimans, stadsschrijver van Helmond brengt kleine historische verhalen tot leven. Maandelijks in deze krant een wedergeboorte. Deze keer neemt Maria van Brabant het woord. De eerste vrouwe van Helmond heeft duidelijk wat recht te zetten.
http://www.ed.nl/regio/helmond/tania-heimans-brengt-verhalen-tot-leven-in-helmond-1.6565240
2016-10-24T04:00:00+0000
http://www.ed.nl/polopoly_fs/1.6565242.1477474223!image/image-6565242.JPG
Helmond,Historie,hermes
Helmond
Home / Regio / Helmond / Tania Heimans brengt verhalen tot leven in Helmond

Tania Heimans brengt verhalen tot leven in Helmond

Foto's
1
Reacties
Reageer
    • Afbeelding
      Beschrijving
      Beeld van keizerin Maria van Brabant, de eerste vrouwe van Helmond.
      Fotograaf
    HELMOND - Tania Heimans, stadsschrijver van Helmond brengt kleine historische verhalen tot leven. Maandelijks in deze krant een wedergeboorte. Deze keer neemt Maria van Brabant het woord. De eerste vrouwe van Helmond heeft duidelijk wat recht te zetten.

    Het is de Maand van de Geschiedenis en dat leek me goede reden om naar het kasteel van Helmond te gaan. Helaas stond ik voor een dichte poort: wegens verbouwing gesloten. Gelukkig is er een alternatief. Tot de nieuwe kasteelpresentaties er zijn kun je via een app kennismaken met de historische figuren van onze stad.

    Te beginnen met Maria van Brabant, de eerste vrouwe van Helmond. Daarom wandelde ik even later langs het kasteel terwijl op mijn telefoonscherm een als Maria verklede vrouw de legende over haar in herinnering bracht: in de 13de eeuw ging Maria uit jagen, raakte met haar bediende van het pad en zakte weg in het moeras. „O God, ik bin d’r in!” riep ze wanhopig. Daarbij vergat ze niet tot de Heilige Maagd te bidden, zodat ze op miraculeuze wijze overleefde en als dank een klooster voor adellijke maagden liet bouwen dat ze naar haar hartenkreet Binderen noemde.

    Ik ging zo in het verhaal op, dat het even duurde voordat ik doorhad dat een oudere vrouw verontwaardigd naar me stond te gebaren. Ze wees naar mijn telefoon. „Waarom luistert u naar deze onzin?” Ik begreep het niet. Had het geluid te hard gestaan? „Maakt niet uit”, zei ze. „Het belangrijkste is dat u hier eindelijk bent. Het kasteel kunnen we alleen niet in, de heer van Helmond zit nog in Spanje.” „De heer van Helmond?” „Ja, Nicolaas met zijn negertjes. Gut, u bent ook niet bij de tijd voor een stadsschrijver. De eerste vrouw nota bene. Weet u hoe lang ik al op u wacht?” Plots zag ik wie ze was. „Ruim 750 jaar?” stamelde ik. „Juist, dus vergeet die verklede dame en pak uw pen. Ik moet nodig iets rechtzetten.”

    Nu heb ik mezelf bezworen nooit te worden als mijn vader, die paragnost was. Ik vind het aardse leven al ingewikkeld genoeg. Het hiernamaals bewaar ik liever voor later. Maar een ex-keizerin en vrouwe van Helmond iets weigeren, dat kan natuurlijk niet. Dus deed ik wat ze me vroeg en tekende het volgende op:

    „Of wij vrouwen worden uit de geschiedenis weggeschreven of wij krijgen een rol als deerniswekkend en devoot wezen. ‘Och, arme Maria, als kind uitgehuwelijkt en later bijna in het moeras verdronken.’ En ik word enkel geroemd omdat ik zo godsvruchtig een klooster heb opgericht. Nou, zo treurig was mijn leven niet. Als u iets over de oorsprong van de Brabantse gezelligheid wilt weten, dan moet u bij mij zijn.
    Ik trouwde pas na mijn twintigste met Otto IV en werd er niet slechter van, maar keizerin. Kijk eerder naar uw eigen tijd: het is nog niet zo lang geleden dat een vrouw door het huwelijk voor de wet wilsonbekwaam werd. Otto en ik deden echt niet voor elkaar onder. Hij had zijn oorlogen en ik zette ons bezit, iets gezelliger, aan de speeltafel in. Ja, je verliest weleens wat – hij zijn kroon, ik ons geld – och, zolang het je moed maar niet is. Want toen dat bij Otto gebeurde was ik snel weduwe.

    Vader trok ook graag ten strijde. Hij had zijn zinnen op dit gebied in Brabant gezet. Mij leek de voorloper van het Helmondse kasteel wel wat. ‘Kom, pap’, zei ik, ‘houd het gezellig en die burcht heel, en koop die heerlijkheid gewoon.’ Deed hij. Nou, vermaakt heb ik me wel in die burcht, die u nu zo minzaam ’t Oude Huys noemt alsof het een versleten kot in het moeras was. Niks daarvan. Het was een van de grootste houten kastelen in Europa. Dankzij mijn feesten, dobbelen om hoge bedragen en hoofse cultuur kreeg het al snel de naam heel mondain te zijn. Of zoals mijn vrinden zeiden: ‘Heil mond’, wat snel ‘Helmond’ werd en toevallig ook ‘laaggelegen vesting’ betekende.

    Ik verbleef ook graag in het door mij gestichte klooster. Dat liet ik bouwen voor mijn alleenstaande vriendinnen. Ja, als weduwe bleef ik een echt mensenmens. Een prachtige bibliotheek hadden we er, met zinnenprikkelende poëzie van de eerste feministische dichteres Hadewijch. Ons klooster werd de grootste grootgrondbezitter van de omtrek, en wij ontwikkelden het gebied met de modernste landbouwtechnieken. De heren van Helmond konden zich na mijn dood dan ook vorstelijk in een stenen kasteel verschansen, alleen vergaten ze dat wij vrouwen de stad uit het moeras hadden getrokken. Want u denkt toch niet dat ik zo dom was om erin te zakken? Ik had u toch ietsje wereldwijzer ingeschat. Nee, ik ben er niet ingezakt, anderen zijn erin getrapt. Het woord legende is alleen van toepassing als je leggende bedoelt. Want inderdaad, op jacht raakten mijn bediende en ik van het padje. Er is mogelijk zelfs ‘O God, ik bin d’r in!’ geroepen. Maar niet door mij, en daar laat ik het graag bij.” Ik liet het er ook bij en legde mijn pen weg.

    „Zul je het zo aan de inwoners van Helmond overdragen?” vroeg Maria me. Ik beloofde het. „Verzeker ze maar dat dit je niet op de liegbank bij het kasteel is verteld. Daar zitten van oudsher vooral de heren.” „Toch weet ik niet of ze me zullen geloven”, zei ik. „U bent immers dood.’ „Goed dat je me eraan herinnert”, antwoordde ze. „Hoog tijd om terug te gaan. En maak je vooral geen zorgen over de dood. Het hiernamaals is net Brabant: keigezellig.”