Paul Haldan in 1989 in actie tijdens het toernooi om de NTTB-cup. foto Clemens le Blanc
Paul Haldan met het dollarbiljet dat hij vanaf zijn vlucht uit Roemenie in 1983 bij zich draagt.
Op 7 oktober 1983 (‘Een vrijdag’), met alleen een sporttas en 101 dollar bij zich, vluchtte tafeltennisser Paul Haldan van Roemenië naar Nederland. „Puur voor de sport”, zegt hij 26 jaar later. Zaterdag staat hij met zijn club De Veluwe bij de ttv Unicum in Geldrop weer achter de tafel. In de tweede divisie. „Om de club te helpen niet te degraderen. Maar wat ik laat zien is prutswerk. Ik heb veel mooiere beelden van mezelf in mijn kop.”
Op het kantoor van zijn eigen internetbedrijf is Paul Haldan bijna iemand
anders dan een kwart eeuw geleden. Deze is behalve dunner behaard en grijzer
ook een stuk spraakzamer en minder bedachtzaam. En dat hij twaalf kilo
zwaarder is dan de 68 die hij weegt op beelden die hij via Youtube toont, is
hem nauwelijks aan te zien. Hier staat een trotse ex-topsporter. Eén die
precies weet wat hem bezielde, één die exact kan duiden waarom zijn
sportieve droom niet uitkwam, één die weet dat het spoedig helemaal voorbij
moet zijn.
Paul Haldan (44) zegt zich de dagen van zijn vlucht nog
precies voor de geest te kunnen halen. Aangekomen in zijn kamer van een
hotelletje aan de rand van Apeldoorn, sloeg hij op 7 oktober 1983 de
gordijnen open. Wat hij zag? "Twintig koeien. Is dit nu Nederland?"
, vroeg hij zich af. Enkele uren later, op de terugweg van de Europa
Cupwedstrijd van zijn Universitatea Craiova tegen De Blaeuwe Werelt, liep
Haldan door verlichte straten. "Het was prachtig. Wat opviel was de
openheid. De grote, open woonkamers met grote ramen. In Roemenië was het om
zeven uur aardedonker op straat en om vrijwel alle gebouwen stond een hek."
De dag na de winst op de gebroeders Jaap, Ron en Henk van Spanje reisden de
drie Roemeense spelers en hun trainer per trein naar Amsterdam. Normaliter
werden sporters in het buitenland begeleid door een man van de
veiligheidspolitie Securitate. Deze keer niet. "Misschien een te klein
groepje. Misschien om kosten te besparen." Ze werden in Amsterdam
opgewacht door een in Nederland woonachtige Roemeense tolk. In een drukke
winkelstraat zouden Haldan en zijn vriend Eugen Florescu in de massa opgaan.
Maar Florescu durfde de stap uiteindelijk toch niet aan. "En daar stond
ik dus. Helemaal alleen, een 'broekje' van net achttien jaar met een
sporttas en 101 dollar als m'n hele vermogen." Die ene dollar draagt
hij nog dagelijks met zich mee, in z'n portefeuille.
Thuis in
Roemenië wist alleen zijn zes jaar oudere broer van de vluchtplannen. Zijn
vader had Haldan al op achtjarige leeftijd verloren aan een longontsteking.
Zijn moeder Ecaterina wist van niks. Pas zes jaar later zag hij haar terug.
Toen hoorde hij ook pas hoe de Roemeense autoriteiten op haar hadden
ingepraat. "Ze heeft wel ooit geprobeerd me terug te laten keren, maar
ze wist ook dat het om mijn toekomst ging."
De vlucht was er
niet één om politieke of economische redenen, verklaart Haldan. Hij en zijn
familie hadden niet noemenswaardig te lijden onder de dictatuur van de later
geëxecuteerde dictator Ceaucescu. "Ik vluchtte puur voor de sport,
had de drang om verder te komen in tafeltennis. Ik wilde kijken wat ik kon
bereiken en vocht voor het stukje vrijheid om te kunnen doen wat ik wilde
doen. Om te worden wat ik wilde worden." In zijn geboorteland zou er
dat nooit van zijn gekomen, bevroedde Haldan. "Als junior kwam je wel
op toernooien in het buitenland, het Oostblok voornamelijk. Voor de grote
seniorentoernooien in het westen was geen geld. Die moesten worden betaald
met keiharde dollars en die waren er niet." Voor het EK van 1982
bijvoorbeeld, het toernooi waarop Bettine Vriesekoop haar eerste Europese
titel pakte, had Haldan zich zes maanden lang voorbereid. "En twee
dagen van tevoren kregen we te horen dat we toch niet gingen."
Haldan kwam vier seizoenen uit voor landskampioen De Blaeuwe Werelt, voor
L+T/Eindhoven met Han Gootzen, Eric Noor en Ron van Spanje en was ooit
actief in de Zweedse competitie, waar hij trainingspartner en teamgenoot was
van meervoudig wereldkampioen Jan-Ove Waldner. "Voor Nederlandse
begrippen was L+T een mooie club. Alleen al vanwege de
trainingsmogelijkheden. Er zat ook een idee achter, met
trainingsmogelijkheden in Duitsland (Rosskopf, Fetzner) en België (Saive).
Maar het was te omslachtig, te vermoeiend en strategische beslissingen
werden onvoldoende genomen."
Toch, meent Haldan, is zijn
ingrijpende stap in 1983 het allemaal wel waard geweest. "Alleen",
zegt hij, "met de wetenschap van nu zou ik Nederland overslaan en linea
recta naar Zweden gaan. Daar was de kennis, daar trainde ik met de groten.
Soms won je van ze, kregen zij respect voor jou en verloor ik wat respect
voor hen. Het was alleen te weinig. Toppers hebben één of meer extreem
sterke wapens. Finesse, gevoel, techniek of een keiharde openingsbal. Ik was
een goede allrounder - Waldner noemde me The Machine; gooi er een muntje in
en hij doet het - maar miste een extreem sterk wapen om Europees of
wereldkampioen te kunnen worden. Ik was een 7+, Waldner een 9,5 of 10."
Als zijn vrouw Maria en dochters Laura (14) en Lotte (8) toestemmen, staat
Haldan zaterdag in Geldrop achter de tafel voor een competitiewedstrijd in
de tweede divisie. Tegen Unicum. Hij wrijft eens over zijn grijzende
stekeltjes en lacht hoofdschuddend... "Soms moet je nee zeggen, maar de
man die me de eerste jaren in Nederland begeleidde (Wim Vermeulen) vroeg me
de club te helpen. Dan zeg ik weer ja. Ik vind het lastig om me te motiveren
maar ben er aan begonnen en ga het zo goed mogelijk afmaken. Het is gepruts,
maar op dit moment is het slechts een spelletje. En verliezen? Ik heb er
vrede mee."
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



























