EINDHOVEN - De hockeyclubs uit de Nederlandse mannenhoofdklasse zouden er goed aan doen om beter te kijken naar het niveau van mogelijke buitenlandse versterkingen en om alleen nog te investeren in echte toppers.
Dat is de voornaamste conclusie uit het onderzoek 'Buitenlandse spelers, het effect' van Rob Reckers.De student Sporteconomie aan de Fontys Hogeschool, zelf international en tot afgelopen seizoen speler van Oranje Zwart uit Eindhoven, onderzocht over een periode van tien jaar (1998-2008) de invloed van buitenlandse hockeyers op het niveau van de hoofdklassecompetitie en op dat van de clubs waarvoor ze uitkwamen. "Ik heb zelf bij OZ veel ervaringen gehad met buitenlandse spelers en van een aantal echte toppers, Shahbaz en Stacy bijvoorbeeld, heb ik absoluut profijt gehad", aldus Reckers, die zegt getriggerd te zijn door het grote aantal buitenlanders in de Nederlandse competitie in de afgelopen seizoenen en de discussies die dat opriep.
Het aantal buitenlandse spelers in de hoofdklasse steeg van 16 in het seizoen 1998-1999 naar 38 in het seizoen 2007-2008. (Afgelopen seizoen waren het er volgens de KNHB zelfs 53.) Een in 2007 gesloten herenakkoord om hun aantal te beperken, werkte niet. Buitenlanders zouden gaan zorgen voor sportief en (daarmee samenhangend) promotioneel en financieel succes, voor een voorsprong op de rest dus, dachten vrijwel alle clubs, en ze kwamen hun beloftes aan elkaar niet na.
In het Nederlandse vrouwenhockey zijn veel minder buitenlanders actief, vandaar dat Reckers alleen de mannentak onderzocht. De 27-jarige Eindhovenaar liet twaalf deskundigen – zes gerenommeerde coaches en zes gerenommeerde spelers – een oordeel vellen over de kwaliteiten van de in totaal 132 buitenlanders die in de onderzoeksperiode in Nederland speelden. Meer dan de helft van die spelers (52 procent) werd beoordeeld als iemand met weinig tot geen toegevoegde waarde. Volgens de twaalf deskundigen maakte slechts 17 procent van de buitenlanders een team duidelijk beter.
Volgens Reckers, die binnenkort hoopt af te studeren op zijn onderzoek, hebben buitenlandse hockeyers wel invloed op de prestaties van een club, maar vooral hun eigen niveau speelt daarbij een rol, níet hun aantal. Oftewel: een echte topper maakt een ploeg beter, meerdere middelmatige spelers doen dat niet. Aangezien buitenlanders per definitie veel geld kosten (woonruimte, 'woon-werkverkeer', vliegtickets, zakgeld) is in veel gevallen sprake geweest van slechte investeringen. Vanwege de financiële crisis in toenemende mate een gevoelig punt. Reckers: "Dus als je geen topper kunt aantrekken, kun je je geld beter besteden aan faciliteiten waarmee je je jeugdopleiding verbetert." Overigens zijn de clubs de laatste jaren al wat meer top en wat minder middelmaat gaan aantrekken.
Reckers onderzocht ook het effect van buitenlandse spelers op de talentontwikkeling van Nederlandse spelers en hun doorstroming naar de top. De vrees van veel hockeyliefhebbers is dat de buitenlanders een remmende werking hebben op de talentontwikkeling in Nederland, maar dit onderzoek vond daarvoor geen bewijzen.
Er werd wél een duidelijk verband gevonden tussen het aantal buitenlandse spelers in de Nederlandse hoofdklasse en de prestaties van het Nederlands team: hoe meer spelers van buitenaf, hoe lager de positie van Oranje op de wereldranglijst. Reckers: "Nog een extra reden om terughoudend te zijn met het aantrekken van buitenlanders. Zij profiteren hier van de goede faciliteiten en financiële mogelijkheden. Ze worden zelf beter maar krijgen ook de gelegenheid om de Nederlandse manier van spelen goed te doorgronden."
De clubs zelf zullen het voortouw moeten nemen willen ze het aantal buitenlanders terugdringen. Reckers: "De hockeybond kan dit niet afdwingen; nationale en Europese wetgeving staan een beperking van het aantal buitenlanders in de weg. De KNHB weet goed wat er speelt maar kán dus geen beperkende regels maken. Ik heb de bond geadviseerd om met de clubs en de Hoofdklasse Hockey CV (belangenvereniging van de hoofdklasseclubs, red.) in overleg te gaan."
Het zou goed zijn als er een soort CAO voor hockeyers zou komen, stelt Reckers. "Zeker omdat sommige buitenlandse spelers Nederlandse clubs financieel tegen elkaar uitspelen." Reckers weet dat geldzaken tot de best bewaarde geheimen van de grote hockeyclubs behoren. "Maar ik pleit wel voor meer openheid. Er zal niet van vandaag op morgen iets veranderen, maar clubs zouden eens goed moeten gaan nadenken over de ontwikkelingen en de koers die ze willen varen."
Ook de KNHB zou kunnen helpen, denkt Reckers. De bond zou meer gegevens kunnen gaan bijhouden over de spelers in de hoofdklassecompetitie, om nog beter zicht te krijgen op de invloed van verschillende (categorieën) spelers. "De KNHB is nu bezig met digitale wedstrijdformulieren. Ik zie mogelijkheden voor de bond om een interessante database aan te leggen."



















