EINDHOVEN - Soms voelt Edwin van Calker dat hij de perfectie benadert. Dan
laat hij de teugels van zijn bobslee vieren, zweeft de 215 kilo carbon met
ruim 400 kilo bemanning als een veertje door de baan. Een moment van rust en
euforie tegelijk.
In de ideale race bevindt een bobpiloot zich voortdurend in die staat. De
meedogenloze olympische afdaling in Whistler gunt niemand dat geluksgevoel,
vreest Van Calker (30). "Het is soms ongrijpbaar. Sturen is
gevoelswerk. We hebben coaches en een baanplan, maar de finesses zijn niet
te coachen. De truc is de bob te laten lopen. Kwestie van lef hebben en
jarenlange ervaring. In het begin stuur je altijd te veel, je voelt niet
waar je zit in de baan."
Steeds vaker komt hij in de 'flow'
die een goede afdaling kenmerkt. "Op sommige banen krijg ik het niet te
pakken. In het midden van Cesana voel ik het nooit. Ik heb er alles
bijgehaald: camera's, coaches. Zet 's zomers de dvd van Cesana op en zie de
beste sleeërs niets anders doen dan ik. En toch... Het is frustrerend."
De frustratie knabbelt niets af van het enthousiasme dat Van Calker in zijn
eerste afdalingen greep. Hij was een niet onverdienstelijke atleet, die tot
de Nederlandse sprinttop behoorde en werd in 1998 vijfde op de tienkamp bij
het WK junioren. Zijn ex-atletiekmaatjes, broer Arnold en Timothy Beck,
stapten al eerder over naar de bob en trokken aan hem. In 2001 ging hij
overstag. Eerst achterin de slee, als sprintkanon verantwoordelijk voor een
snelle start. Al snel wilde hij het stuur in handen. "De piloten om me
heen waren op leeftijd. Ik dacht: als ik wat wil in deze sport, moet ik zelf
aan de slag. Dus meldde ik me bij een bobschool." Een sprong in het
diepe. "Je begint op de vrouwenstart, wordt letterlijk naar beneden
gegooid. Na de eerste bocht ben je alles vergeten wat je is uitgelegd. Maar
na enkele runs komt het gevoel, word je je bewust van wat je doet. Toen
kreeg ik de lol te pakken."
Nu is hij piloot van een team dat
zich steeds vaster in de subtop van het internationale bobsleeën nestelt.
Met een bob die de test met de wereldtop kan doorstaan. Teammanager Rintje
Ritsma bracht twee jaar geleden sponsor Eurotech mee. Het
metaalbewerkingsbedrijf ging meteen aan de slag met innovaties. "Ze
hebben geen ervaring in het bobsleeën, maar dat levert juist een frisse kijk
op. In de autosport hebben ze voldoende kennis opgedaan over materiaal en
aerodynamica."
De twee technici die voortdurend met de
Nederlandse bobbers op pad zijn, schaven sinds vorig jaar aan een
gloednieuwe bob. Na de tegenvallende Spelen in Turijn, waar Van Calker niet
bij was, ontfermde NOCNSF zich over de bobsleeërs. "Het eerste
jaar kozen we voor heel veel afdalen. Het jaar erop plukten we er de
vruchten van en kwamen de goede resultaten. Toen kwamen we erachter dat de
viermansslee niet toereikend was."
De ploeg klopte aan bij de
Duitse topfabrikant Singer, maar het is niet vanzelfsprekend dat die voor
iedereen een bob bouwt. "Singer gunde ons die bob. Het was goed dat we
ruim voor Vancouver kwamen. Vlak voor de Spelen komt overal geld vrij en wil
iedereen een nieuwe bob kopen." Het team groeide mee met de betere
mogelijkheden, vindt Van Calker. "Ik laat zien dat ik talent heb voor
het sturen en we hebben goede starters. Bobsleeën bestaat uit starten,
sturen en materiaal. De eerste twee hebben we in de hand, de derde is een
geldkwestie. Met dit materiaal horen we bij de top."
De
tweemansbob trekt zelfs bekijks van de Duitse concurrentie. Van Calker
lacht: "De Duitsers worden nog niet zenuwachtig van de Nederlanders,
hoor. Duitsland, Amerika, Zwitserland en Canada hebben zo veel ervaring en
kennis. Wij hebben een paar oud-piloten die hun kennis doorgeven, in
Duitsland staat er een heel instituut achter. Maar ze zien wel dat er iets
gebeurt bij ons. We lopen onze jarenlange achterstand in, al kan dat niet op
stel en sprong."
De nieuwe tweemansbob is noodzakelijk voor de
Spelen. De baan in Whistler is bloedsnel en gevaarlijk. "De oude
tweemans is gewoon niet goed genoeg op topsnelheid. We halen alleen goede
resultaten op korte banen, waar je niet aan je topsnelheid zit, zoals
Winterberg en Königssee. In Whistler heb je veel snelheid nodig."
Van Calker krijgt een onheilspellend lachje op zijn gezicht als hij over de
olympische baan begint. Het parcours staat bekend als gevaarlijk. Niet
vanwege de beren die in het voorseizoen sporters de stuipen op het lijf
jagen door tijdens trainingen de baan in te wandelen, want die houden nu hun
winterslaap. "Het is een labyrint van bochten, je hebt geen tijd om te
herstellen. En je vliegt er met meer dan 150 kilometer per uur door. Onder
piloten wordt wel gezegd: 'Wie na vier runs heelhuids beneden staat, komt op
het podium'. Alle wereldkampioenen zijn er onderuit gegaan."
Van Calker niet. "We hebben er een aantal goede runs gemaakt. Maar in de
kleedkamer was het stil. Op andere banen wordt gedold, is het soms lachen,
gieren, brullen. Niet in Whistler. Die baan kan je aardig te pakken nemen."
Dat het bij de Spelen om vier runs gaat en niet om twee, zoals in de World
Cups, vindt Van Calker geen nadeel. "De kans op verrassingen wordt
natuurlijk kleiner, met meer runs komen de besten naar voren. Maar het is in
Whistler vooral zaak de schade beperkt te houden. Daar gaat iedereen fouten
maken, het wordt heel interessant." Het Nederlandse bobteam bezit een
eigenschap die de extra runs nog interessanter maakt: "Wij kunnen ons
in een wedstrijd vastbijten. Als we dicht bij het podium staan, is onze
volgende run vaak goed. Sommigen voelen dan druk, maar als wij bloed ruiken,
zetten we door."


















