Hieronder vindt u de recensies van Ik ben je vriend, Barack Obama en De
trein naar Triest.
Heeft uzelf een boek gelezen dat u erg mooi vond?
Klik op 'Reageren' en schrijf iets over dit boek.
IK BEN JE VRIEND
Een beetje zielige mensen allemaal. Een weervrouw die ontslagen is
vanwege haar drankprobleem. Een man die niet los kan komen van zijn moeder.
Een succesvol scriptschrijfster die vastgelopen is in haar privéleven.
Gerard van Emmerik houdt ervan dit soort mensen tot hoofdpersoon in zijn
korte verhalen te maken. Dat deed hij in zijn eerdere boeken, dat doet hij
nu ook weer in ’Ik ben je vriend’, een bundeling van negen korte verhalen.
Rode draad in de verhalen is de opening van een wegrestaurant.
Personages die in het ene verhaal bijfiguren zijn, vervullen in een ander
verhaal de hoofdrol. En blijken dan vaak heel anders te zijn. Zo ziet de
scriptschrijfster uit ’Het z-woord’ tijdens haar wandeling in het bos een
man en vrouw lopen. „Moeder en zoon? Nee, waarschijnlijk geliefden, student
met oudere minnares.” In ’Iets aardigs’ blijkt dat toch die eerste
veronderstelling klopte, maar dan wel in een ongewone situatie.
Echt grote drama’s gebeuren er in de meeste verhalen niet. Het is
vooral alledaags leed: een liefde die onherstelbaar voorbij is, een vrouw
die vergeefs zoekt naar vastigheid in haar leven, een andere vrouw die juist
wat meer spanning in haar geordende leventje wil, een zieke moeder die voor
euthanasie kiest.
Niet alle verhalen zijn even geslaagd. Zo heeft Van Emmerik in ’Een
nieuwe kans’, waarmee de bundel opent, wel erg veel overgelaten aan de
verbeelding van de lezer. Een grasmaaierverkoper, die van zijn dokter ’bij
iedereen die ik pijn gedaan heb’ langs moet om zijn verontschuldigingen aan
te bieden, een vrouw die zich van deze oud-klasgenoot alleen een nare
opmerking over haar schoenen herinnert, een kind dat plotseling sterft in de
zandbak. Probeer daar als lezer maar eens chocola van te maken.
Ook het titelverhaal ’Ik ben je vriend’ komt ondanks een boeiend
gegeven niet echt uit de verf. Een intelligente puber wordt op de fiets
aangereden door een Hummer. Het letsel lijkt mee te vallen, maar geleidelijk
verandert de jongen daarna volkomen. Hersenletsel? Of iets wat al daarvoor
begonnen was? Want waarom anders die terloops vermelde ’ruk aan zijn stuur’?
Helaas ontspoort het verhaal daarna in een chaos van personages, gezochte
lolligheid en overdreven drama.
Gelukkig staat daar een aantal andere verhalen tegenover waarin Van
Emmerik zich ruimschoots revancheert. Zoals ’De hunkeraar’, waarin Bastiaan,
een man van middelbare leeftijd, die door zijn vriendin aan de kant is gezet
omdat hij ’te weinig hunkert’, via internet op zoek gaat naar een nieuwe
relatie. In plaats van de vrouw met wie hij afspreekt in het nieuwe
wegrestaurant, ontmoet hij daar haar ouders. Zij houden er een
herdenkingsbijeenkomst, hun dochter blijkt al tien jaar spoorloos verdwenen
te zijn. Dat zij er wel degelijk was, blijkt ’s avonds als zij Bastiaan via
internet laat weten dat het niet klikte omdat hij ’te hunkerend’ was.
Mooi is ook ’Lovin’ Whiskey’ waarin een aan drank verslaafde weervrouw
in een opwelling een jongetje ontvoert. Of ’Het z-woord’, waarin een
scriptschrijfster, ’een jonge vrouw op leeftijd’, zich even probeert te
ontworstelen aan haar oppervlakkige leventje, maar de waanzin vlak onder de
oppervlakte op de loer lijkt te liggen.
Gerard van Emmerik, Ik ben je vriend, uitg. Nw. Amsterdam, 16,50
euro.
Barack Obama; waarom iedereen van hem wil houden en
wat zijn opkomst betekent
Barack Obama is zwart. Daarom gaat het hem niet lukken gekozen te
worden tot 44ste president van de Verenigde Staten. Dat was in het kort de
strekking van een prikkelend boekje dat hoogleraar en columnist Shelby
Steele vorig jaar in de VS publiceerde.
Steele zou moeten weten waarover hij schrijft. Net als Obama is hij de
zoon van een zwarte vader en een blanke moeder, en hij moet dus goed kunnen
aanvoelen hoe een man als Obama in de Amerikaanse samenleving staat.
Volgens Steele heeft Obama zich in zijn jeugd zelf een identiteit
moeten aanmeten. Zoals ook naar voren komt in zijn autobiografie ’Dromen van
mijn vader’ was hij in zijn jonge jaren steeds op zoek naar een vaderfiguur;
zijn eigen vader, die kort na Baracks geboorte zijn moeder verliet, heeft
Obama slechts één keer in zijn leven ontmoet. De zoektocht naar een eigen
identiteit liep voor de jonge Obama dan ook grotendeels parallel met die
naar zijn vader.
Omdat hij een groot deel van zijn jeugd doorbracht bij zijn
grootouders van moeders kant op Hawaiï, groeide Obama op in een blanke
omgeving. Toch is en blijft hij in de ogen van veel Amerikanen als niet puur
blanke toch vooral een zwarte. Op zijn zoektocht om toch ergens bij te
horen, mat hij zich in zijn latere jeugdjaren een zwarte identiteit aan,
waarmee hij zijn (blanke) opvoeders voor een deel verloochende.
Over de zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten heeft Shelby Steele
zo zijn eigen gedachten. Zwarten, zo betoogt hij, dragen altijd een masker,
en doen een beroep op het schuldgevoel dat de blanken met zich meedragen
vanwege de slavernij. Sommige zwarten treden de blanken vriendelijk tegemoet
en reiken hen de hand om uit hun schulp te kunnen kruipen; anderen dagen
juist uit en willen dat blanken zich door hen gekleineerd voelen.
Obama behoort duidelijk tot de eerste groep. Hij doet het voorkomen
alsof het thema ’ras’ voor hem een gepasseerd station is. De ruimhartige
kniebuiging naar de blanke gemeenschap maakt hem in de ogen van radicalere
zwarten echter ongeloofwaardig, maar als hij die tegemoet zou komen, valt
hij weer uit de gratie bij gematigden en blanken.
In beide gevallen opereert Obama echter binnen de gebaande paden die
al zijn mede-Amerikanen bewandelen als het op ras aankomt. „Zijn grote
talent schuilt erin dat hij zijn waarde binnen de status quo kent”, schrijft
Steele.
Pas als Obama loskomt van de traditionele rolpatronen die Amerikanen
hanteren om met de rassenkwestie om te gaan, maakt hij volgens Steele
werkelijk een kans. Dat betekent in de ogen van Steele onder meer dat de
zwarten, die hun ondergeschikte positie in de Amerikaanse samenleving nog
altijd op het conto schrijven van slavernij en onderdrukking, durven te
erkennen dat ze zélf voor hun lot verantwoordelijk zijn.
Als kind van gemengde ouders houdt Steele de Democratische
presidentskandidaat in dit boekje een venijnige spiegel voor. In de
Nederlandse uitgave durft hij echter niet meer de stelling aan dat Obama
geen kans maakt op het presidentschap. In die zin heeft Steele zelf al de
angel uit zijn betoog gehaald.
Shelby Steele: Barack Obama; waarom iedereen van hem wil houden en
wat zijn opkomst betekent. Vertaald en ingeleid door Diederik van
Hoogstraten. Elsevier, Amsterdam; 136 blz., €9,50.
De trein naar Triëst
Als de Roemenen maar lang genoeg op een houtje bijten en de buikriem zo
aanhalen dat ze aan een broodkorst of een kommetje koolsoep genoeg hebben,
is het arbeidersparadijs nabij. Nog even doorzetten en niet zeuren over het
gebrek aan voedsel, brandstof en alle andere levensbehoeften; de heilstaat
ligt binnen bereik.
De ’Vader van de natie’ Nicolae Ceausescu heeft het zelf beloofd, dus wie
durft daaraan te twijfelen? De onverstandige of opstandige geest die dat
toch doet, kan rekenen op een bezoekje van de geheime politie, de
Securitate, en moet niet gek opkijken van een flink pak slaag, of erger,
opsluiting in een heropvoedingskamp of een psychiatrisch ziekenhuis.
De dagen van ’conducator’ (leider) Nicolae Ceausescu zijn alweer bijna
twintig jaar voorbij. Een hele generatie Roemenen weet weinig of niets van
de in het Westen nog lange tijd warm onthaalde communistische leider die het
Balkanland decennia in zijn greep had, bijgestaan door zijn verplicht
bejubelde en bewierookte echtgenote Elena.
Maar de sfeer van angst, gebrek, wantrouwen, vervolging en intimidatie uit
de regeringsjaren van het Genie van de Karpaten’ komen op beklemmende wijze
weer tot leven in het boek ’De trein naar Triëst’ van de Roemeense Domnica
Radulescu. De debuutroman noemt ze pure fictie, al put ze uit haar eigen
ervaringen en leven.
Radulescu is als studente Roemenië ontvlucht, na een kort verblijf in Italië
belandde ze in de Verenigde Staten, waar ze tegenwoordig vrouwenstudies
onderwijst aan een universiteit. De hoofdfiguur van haar meeslepende roman,
Monia Maria Manoliu, legt eenzelfde traject af. Maar van Radulescu mogen er
geen parallellen worden getrokken tussen Monia en haar eigen leven.
De lezer stapt in Monia’s leven op het moment dat zij als meisje van
zeventien eind jaren zeventig haar eerste en in feite enige echte liefde
ontmoet, student Mihai uit Brasov. Monia, die zelf in Boekarest woont waar
haar vader aan de universiteit doceert, is stapel op de jongen, maar weet
niet of ze hem wel kan vertrouwen. Iedereen zou voor de Securitate kunnen
werken, niemand kan van wie dan ook op aan.
Monia wordt ook gewaarschuwd voor Mihai, die soms wel erg nieuwsgierig is
naar haar vader die een radertje vormt in het ondergrondse verzet tegen
Ceausescu. De illegale activiteiten van de professor blijven niet
onopgemerkt, evenmin als Monia’s belangstelling voor westerse
literatuur. Wanneer de politie een paar keer langskomt, tegenstanders van
het regime verdwijnen of op de stoep worden doodgereden, vinden Monia’s
ouders het raadzaam dat ze Roemenië verlaat.
Het afscheid van Mihai, die ze niets mag en durft te vertellen, is
hartverscheurend. De reis via Joegoslavië en Italië - de ’trein naar Triëst’
uit de titel - naar Chicago staat echter onder een gelukkig gesternte. Monia
kan een nieuw leven beginnen.
Dat nieuwe leven, als banneling in een vreemd, kapitalistisch land, waar
niemand iets begrijpt van haar vaderland (wat, hebben jullie in Roemenië
geen McDonald’s?) bestaat uit vallen en opstaan. Mihai wordt niet vergeten,
maar contact is er niet.
Pas jaren na de revolutie die een bloedig einde maakt aan Ceausescu’s
bewind, keert Monia, die inmiddels twee zoons heeft, terug naar Boekarest en
Brasov. Het verhaal neemt daar een onverwachte, niet geheel bevredigende
wending wanneer Monia probeert uit te vinden wat er destijds allemaal écht
is gebeurd. Maar eigenlijk is het einde een cliffhanger, die roept om een
vervolg. Radulescu schrijft met oog voor detail en humor en voert de lezer
terug naar het voor velen ’onbekende’ Roemenië, dat alweer bijna
is vergeten.
* Domnica Radulescu: De trein naar Triëst (vertaald door Mariëtte van
Gelder), Uitgeverij Sijthoff, 336 pagina’s, 18,95 euro.
© Eindhovens Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.










Sorteer reacties



















