Volledig scherm
De politie heeft een onderzoekstent geplaatst op de plek waar advocaat Derk Wiersum in Amsterdam werd vermoord. © Maarten Brante

Voor een moord als deze zijn er tientallen potentiële schutters

In het criminele circuit woedt al jaren een bloederige ‘liquidatieoorlog'. Met de moord op Derk Wiersum, de advocaat van kroongetuige Nabil B.,  werd nu ook weer een buitenstaander doodgeschoten. Negen vragen over wat er vandaag gebeurde en de oorlog die erachter woedt.

1. Hoeveel doden zijn er nu gevallen?

Dat hangt ervan af wie je daarbij meetelt, maar de laatste zes, zeven jaar in elk geval meer dan dertig in Amsterdam en Utrecht. Ook in Spanje, België en Midden- en Zuid-Amerika vielen nog Nederlandse slachtoffers. Lang niet allemaal criminelen: advocaat Wiersum en Reduan, de broer van de kroongetuige, bijvoorbeeld.

2. Hoe wordt zo’n liquidatie geregeld?

De moord op broer Reduan van de kroongetuige was uitzonderlijk en de dader nam extreme risico’s door herkenbaar zijn bedrijf in te lopen. Hoe roekeloos deze volgens getuigen jonge schutter is geweest, zal blijken. Een klassieke liquidatie vergt meer tijd. De gangen van het doelwit moeten in kaart worden gebracht. Wanneer is hij waar? Wat is de beste moordplek? Hoe zijn de vluchtwegen? Vaak met gebruik van peilbakens onder auto’s worden doelwitten geobserveerd en gevolgd. Daarnaast moeten schutters worden geworven en wapens en snelle vluchtauto’s worden geregeld. Een tweede vluchtauto met valse kentekenplaten moet worden ‘koud gezet’ voor de overstap. De eerste vluchtauto wordt in brand gestoken, de daders vervolgen hun vlucht in een auto die getuigen niet hebben gezien.

3. Hoeveel wordt er betaald voor een liquidatie?

Steeds minder, doordat de veelal zwakbegaafde schutters zich steeds makkelijker voor een dergelijke klus laten werven - soms met loze beloftes. Soms zijn schutters doodgeschoten in plaats van betaald. Waar in het verleden over wel twee ton bloedgeld werd gesproken, bijvoorbeeld voor de liquidatie van Cor van Hout in 2003, is gebleken dat de laatste jaren liquidaties zijn gepleegd voor slechts enkele tienduizenden euro’s. Of soms nóg minder. 

4. Hoeveel jongens zijn er die bereid zijn dit doen?

In Amsterdam en Utrecht zijn zeker tientallen potentiële schutters, maar te vrezen valt dat het ver boven de honderd uitkomt. Een liquidatie vergt niet alleen een of meer schutters, maar ook mannen die doelwitten observeren (‘timeren’ in straattaal), wapenleveranciers, dieven van vluchtauto’s et cetera. Met hen erbij kom je op honderden. Ook na tientallen veroordelingen en nog veel meer arrestaties blijkt er een enorm reservoir aan jonge mannen te zijn die snel willen klimmen op de criminele ladder.

5. Wat wordt er gezegd over de opdrachtgevers?

Degenen die volgens kroongetuige Nabil B. aan het hoofd staan van de organisatie die hij beschuldigt, Ridouan Taghi en diens beweerde rechterhand Said Razzouki, zijn al jaren voortvluchtig en verblijven waarschijnlijk al jaren vooral in het buitenland. Hun groep zou over vele miljoenen uit cocaïnehandel beschikken, wat het onderduiken vergemakkelijkt en de slagkracht groot houdt. Omdat in elk geval Taghi in Marokko wordt beschuldigd van het geven van de opdracht voor een liquidatie waarbij een onschuldige werd gedood, kan hij daar niet heen. Ingewijden denken dat ook Dubai geen optie is, vanwege de nauwe banden tussen dat land en Marokko. Het Openbaar Ministerie bracht het bericht naar buiten dat hij daar waarschijnlijk zat, maar ingewijden kunnen zich dat moeilijk voorstellen.

6. Waar gaan deze conflicten in het criminele milieu eigenlijk om?

Om machtsposities in de internationale cocaïnehandel, bovenal. Daarnaast om wraak voor eerdere liquidaties. Soms wordt het liquideren van een schuldeiser goedkoper geacht dan betalen. Bovendien worden mensen uit de eigen organisatie geëlimineerd als zij een gevaar dreigen te worden omdat ze te veel weten. Dat lot dreigde Nabil B. te treffen. De moorden op B.’s broer en advocaat zijn van de buitencategorie en duidelijk bedoeld om de rechtsstaat te ontwrichten, de kroongetuige zo hard mogelijk te treffen en mogelijke kandidaat-spijtoptanten af te schrikken.

7. Waarom lukt het de recherche niet te infiltreren in deze misdaadgroepen?

Extreem wantrouwen en ‘professionele’ argwaan zijn de basis waarop grotere misdaadgroepen zijn gebouwd. Daarom wordt ook keihard afgerekend met verraders die praten. De voetsoldaten zullen ook nooit precies weten wie de uiteindelijke opdrachtgevers zijn, zodat ze rivalen of de politie weinig kunnen vertellen.

De leiders van de groepen kennen hun naaste compagnons vaak al van jongs af. Dat maakt infiltreren hoe dan ook lastig. Bovendien is de recherche schrijnend wit, terwijl dit milieu door criminelen van Marokkaanse origine wordt beheerst.

8. Zijn er genoeg Marokkaanse agenten?

Er zijn lang niet genoeg Marokkaanse agenten om de politie een afspiegeling van de samenleving te laten zijn. De recherche die zich op de zware criminaliteit richt, heeft een nog groter gebrek aan teamleden van Marokkaanse afkomst.

Een witte rechercheur zal onmiddellijk opvallen in een waterpijpcafé en spreekt ook domweg de taal niet. In de Marokkaanse schaamtecultuur houden zelfs nette families de vuile was binnen. Het gebrek aan goede Marokkaanse rechercheurs en connecties in de Marokkaanse gemeenschap is een van de grootste problemen waarmee de politie kampt, de vele goede bedoelingen en initiatieven tot verbetering ten spijt.

9. Waarom is dit onderwerp voor u, als lezer, van belang?

Omdat liquidaties de maatschappij ontwrichten, zeker moorden op onschuldigen zoals nu zelfs een advocaat die vond dat (juist) ook een kroongetuige rechtsbijstand verdient. Omdat schietpartijen op straat levensgevaarlijk zijn voor passanten en omwonenden. Omdat rijke criminelen zich invreten in de bovenwereld, die daardoor corrumpeert. Om maar wat te noemen.