Volledig scherm
Grote Berg, Eindhovens straatbeeld omstreeks 1900. Fotoarchief Eindhovens Dagblad

Groot-Eindhoven ontstond niet van harte

Negentig jaar geleden voegden dorpen zich bij de stad Eindhoven. Dat ging niet van harte, maar het moest. De overgang vond plaats in het duister.


Toen het besluit na jaren van discussie eenmaal gevallen was, hadden de vijf dorpen die zich gingen aansluiten bij Eindhoven weinig behoefte om ook nog energie te besteden aan de overdracht. Gestel hield een klein feestje, verder wilde alleen Stratum 'iets' doen. Er verrees een monument tegenover de Joriskerk in de vorm van een lantaarnpaal. Helaas deed deze het niet op het moment suprême, zodat het ceremonieel in 'Egyptische duisternis' verliep, zo omschreef geschiedschrijver broeder Taurellus het vele jaren later.


De overdracht was op 1 januari 1920. De annexatie van vijf dorpen door de stad Eindhoven, ofwel de geboorte van Groot-Eindhoven was niet van harte gegaan, maar onvermijdelijk geworden. De stad zat letterlijk opgesloten tussen Keizersgracht, Wal en Vestdijk. De welvaart nam al toe sinds halverwege de negentiende eeuw maar behalve richting Gestel, waar de stad op de Grote en Kleine Berg nog wat grond bezat, zat gebiedsuitbreiding er niet in.


Dat leidde tot allerlei problemen. De stad lag op zo'n klein gebied en de dorpen er omheen lagen er inmiddels zo dichtbij, dat een dief die op de hielen gezeten werd door de politie slechts enkele meters hoefde te rennen om veilig in een andere gemeente te zijn, waar de sterke arm niet meer bij kon.


Ook de vestiging van de NV Philips Gloeilampenfabriek en de snelle groei daarvan (tussen 1916 en 1920 van 3700 naar 6725 werknemers) maakt duidelijk hoezeer uitbreiding een noodzaak werd: als de fabriekssirenes gingen kwamen er meer werknemers uit omliggende gemeenten dan uit Eindhoven zelf. De randgemeenten protesteerden daartegen. Die arbeiders gaven hun geld uit in de stad maar als de kostwinner kwam te overlijden kon bijvoorbeeld Woensel de armenzorg op zich nemen, zo redeneerde het dorpsbestuur. Eindhoven zelf was er ook al niet blij mee: het gaf de randgemeenten voorschotten voor de woningbouw, maar zag zelf de kapitaalkrachtige bevolking vertrekken naar Tongelre en Stratum.


Er was onder de bevolking in die tijd meer rivaliteit tussen de dorpen onderling dan ten opzichte van de stad Eindhoven, signaleert Taurellus. Weliswaar werd spottend gesproken van 'stadse bokken' of 'kaaischijters', maar als het op echte vijandelijkheden aankwam vonden die plaats tussen bijvoorbeeld Woensel en Stratum. De jaarlijkse kermissen, eentje in het voorjaar in Stratum en in september in Woensel, waren er berucht om.


Al veel eerder, in 1866 gingen er stemmen op om Woensel te annexeren. De spoorlijn Boxtel-Venlo was in dat jaar gereed gekomen, met een station ter hoogte van Eindhoven, maar dat lag op Woensels grondgebied. Net als de weg erheen. Net zoiets gold voor het kanaal en de begraafplaats: ze lagen officieel buiten de stad.


De bewoners in die gebieden wilden wel bij Eindhoven horen, de stad wilde hen inlijven, maar de gemeenteraad van Woensel bleef zich heftig verzetten. Tenslotte greep het rijk in en kwam het tot een gedwongen annexatie van een deel van Woensel en Tongelre, het gebied tussen de spoorlijn en de Dommel, in 1874.


Maar daarmee was Eindhoven nog niet definitief geholpen. In de decennia rond de eeuwwisseling groeiden de stad en Stratum, Woensel, Gestel, Strijp en Tongelre vanzelf naar elkaar toe langs de invalswegen die de stad ook nu nog zijn kenmerkende sterpatroon geven. Zo ontstond een gemeenschap van zo'n 30.000 zielen, met daarbinnen een Eindhovense 'kern' van nog geen 6.00 inwoners.


De stad wilde haar toekomst niet laten bepalen door een stel boeren. Want dat was waar de bevolking van de vijf dorpen toch voornamelijk uit bestond. Alleen Stratum voelde zich enigszins stads. Broeder Taurellus veronderstelt dat het het eerste dorp was dat een verharde verbinding (straat) met Eindhoven had, en daarmee een streepje voor. In ieder geval vond Stratum ook dat het de meeste toegevoegde waarde had voor de stad met mooie plekken als De Elzent en de Burgt.


Stratum en vooral Tongelre stribbelden tegen toen de annexatieplannen concreet werden. Tongelre opende in 1912 nog gewoon een nieuw eigen raadhuis. Toen in 1918 de beslissing echt genomen moest worden, bleef Tongelre als enige tegenstander over. Rijke boeren in dit dorp vreesden voor hun machtspositie als het stadhuis voortaan in Eindhoven zou staan. Maar ook zij moesten er uiteindelijk aan geloven.


Antoon Verdijk was de eerste burgemeester van het nieuwe grote Eindhoven. Hij trad aan op 1 januari 1920 en zou 25 jaar blijven. Van de hand van Antoon Coolen verscheen in 1951 een beschrijving van die kwart eeuw. Verdijk, een voormalig Bossche hoofdambtenaar, kon direct na de annexatie aan de slag met allerlei openbare werken: in de aanloop naar de eenwording hadden de voormalige dorpen de aanleg en het onderhoud van hun straten, riolering en scholen mooi op een laag pitje gezet. Dan zouden de kosten tenminste niet meer alleen op hun eigen begroting drukken. Het kostte twee miljoen gulden om de achterstand in te halen, een bedrag waarvan de raad steil achterover sloeg. Die moest duidelijk nog even wennen aan de nieuwe schaal van Groot-Eindhoven.


Met bijdragen van de correspondenten in de stadsdelen: Geert van Elten (Stratum), Lucas Nuchelmans (Gestel en centrum), Yvonne van Sebille (Strijp), San van Suchtelen (Woensel) en Mike Verdonk (Tongelre).

Lees ook de bijbehorende artikelen over:

>> Eindhoven
>> Gestel
>> Stratum en meer Stratum
>> Woensel
>> Strijp en meer Strijp
>> Tongelre

Volledig scherm
De Eindhovense Rechtestraat met het oude stadhuis (datering onbekend). Fotoarchief Eindhovens Dagblad

In samenwerking met indebuurt Eindhoven