Volledig scherm
V.l.n.r.: Mohammed Idris, Youseph Ilo en Yonas Oubay © FotoMeulenhof

Talloze projecten in de regio om vluchtelingen Nederlands te leren

HEEZE-LEENDE - De meeste vluchtelingen die nu in Zuidoost-Brabant op zoek zijn naar werk komen uit Syrië en Eritrea. Hoe beide groepen tegen barrières aanlopen: het laatste deel van een korte serie.

Mohammad was landmeter in Syrië en heeft nu zicht op een baan, in Heeze. Veel andere vluchtelingen met een verblijfsvergunning blijven hangen in de bijstand. Taal en culturele verschillen geven problemen. Gemeenten tuigen allerlei projecten op, en zijn allemaal bezig opnieuw het wiel uit te vinden. ,,De kennis die rond vluchtelingenstromen in de jaren ‘90 is opgedaan, wordt niet goed gebruikt." 

Drie mannen zijn druk in de weer bij het ‘outdoor-koken’ voor de gasten van hotel Kapellerput in Heeze. Een van hen schept soep uit een grote ketel, de twee anderen staan bij iets dat het midden houdt tussen een kampvuur en een barbecue. Broodjes warmen, vlees erin. ,,Ik houd van barbecue, dat deden we in Syrië ook veel”, zegt de 44-jarige Youseph Ilo. ,,Dan maakten we kebab en tabouleh in het park.”

Taalvaardigheid

De mannen zijn alle drie in de afgelopen jaren naar Nederland gevlucht. Yonas Oubay en Mohammed Idris volgen een taalstage van een halfjaar bij Kapellerput. Door Nederlands te spreken op de werkvloer, moet hun taalvaardigheid een vlucht nemen. Ilo heeft zijn stage er al op zitten en heeft een contract gekregen bij het bedrijf.

,,In Syrië was ik banketbakker, daar had ik een eigen bedrijf met ongeveer veertig personeelsleden”, vertelt Ilo. Zo’n drieënhalf jaar geleden vluchtte hij naar Nederland, zijn vrouw en vier kinderen kwamen later ook. ,,Hier werk ik in de keuken. Ik snijd dingen, doe de afwas. Maar ik maak ook falafel, Syrische koekjes, baklava.” Hij heeft zichzelf inmiddels uit de bijstand gewerkt, een behoorlijke prestatie voor iemand die nog met zijn inburgering bezig is.

Taalstages zijn een geliefd middel om nieuwkomers richting werk te begeleiden. In Heeze-Leende biedt arbeidsmakelaar Nora Faber migranten zo’n stage aan. In dienst van de gemeente begeleidt ze mensen die in de bijstand zitten bij het zoeken naar werk, stages en opleidingen. De taalstage is onbetaald, maar de deelnemer behoudt wel zijn uitkering.

,,Het handigst is om zo’n taalstage te doen een halfjaar voordat de persoon klaar is met zijn inburgering”, zegt Faber. Het taalniveau is dan al aardig en na de stage kan iemand op zoek gaan naar betaald werk. ,,Ik kijk per persoon naar het taalniveau. Als ik een gesprek kan voeren met iemand, kan hij een taalstage gaan volgen. Als ik zit te worstelen, moet de persoon nog even wachten.”

Koers

Taalstages zijn niet het enige middel om migranten te begeleiden richting werk. In deze regio zijn talloze projecten opgetuigd. In Asten en Someren is er een glastuinbouwproject, in Bladel kunnen statushouders terecht bij het Praktijkhuis Bladel. In Veldhoven gaat Social Impact Bond van start, in diverse gemeenten is Werkvloertaal actief, in Eindhoven zit Springplank 040 en in Bergeijk het Aquinohuis. Elke gemeente probeert op haar eigen manier nieuwkomers aan het werk te krijgen. Landelijk beleid ontbreekt.

,,De bijstand zit in de participatiewet en de uitvoering daarvan ligt bij de gemeenten”, verklaart Ivo Noordenbos, woordvoerder van het Ministerie van Sociale Zaken, de verscheidenheid in aanpak. ,,Sommige gemeenten zeggen dat statushouders direct moeten gaan werken, andere gemeenten geven meer ruimte voor studie.” Dat elke gemeente haar eigen koers vaart, heeft volgens het ministerie een groot voordeel: ,,Gemeenten kunnen veel beter dan Den Haag inschatten wat werkt ter plekke.”

Dat klopt, zegt Inge Razenberg, onderzoeker van Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). ,,Maar het nadeel is dat er willekeur kan ontstaan. Statushouders worden via het COA gehuisvest in een bepaalde gemeente, daar hebben ze geen keus in. Als je dan in een gemeente zit die jou meer opleidingsmogelijkheden aanbiedt dan een gemeente om de hoek waar een bevriende jongen woont, leidt dat bij statushouders tot vragen en onduidelijkheden.”

Bovendien zouden gemeenten gebaat zijn bij meer onderlinge samenwerking, meent Razenberg. ,,Veel gemeenten zijn nu zelf het wiel opnieuw aan het uitvinden. We zien ook dat de kennis rond vluchtelingenstromen die in de jaren ‘90 opgedaan kon worden niet goed gebruikt wordt of niet is genoteerd. Het is daarom belangrijk dat gemeenten de maatregelen die ze nu nemen, wél monitoren en evalueren.”

Eerder deze week bleek uit onderzoek van het ED dat het gemeenten in Zuidoost-Brabant maar zeer mondjesmaat lukt om erkende vluchtelingen aan werk te helpen. Het overgrote deel blijft in de bijstand hangen, door problemen van praktische aard, zoals de taal en de moeizame combinatie met de verplichte inburgeringslessen, en door psychische problemen. 

Volledig scherm
Nora Faber. © FotoMeulenhof

Over welke aanpak het beste werkt, en wat niet helpt bij het begeleiden van nieuwkomers naar werk is nog vrij weinig bekend, zegt Razenberg. In 2018 gaat KIS in kaart brengen via welke routes gemeenten opleiding kunnen inzetten om tot een duurzame uitstroom naar werk te komen. ,,Onderzoek laat wel zien dat als je als vluchteling een opleiding hebt behaald in Nederland, je positie op de arbeidsmarkt beter wordt. Maar het is een moeilijke afweging voor wie dat wel zou helpen en voor wie niet, dus daar worstelen gemeenten mee. Gemeenten zeggen dat een derde van de vluchtelingen uiteindelijk betere kansen heeft op werk als ze onderwijs volgen, terwijl naar schatting maar twaalf procent van de vluchtelingen in onderwijs instroomt. Daar zit dus een flinke discrepantie.”

Maatwerk

Van het voordeel van de decentrale aanpak – maatwerk – is het werk van arbeidsmakelaar Faber een goed voorbeeld. Per persoon bekijkt ze wat ze kan betekenen. Ze heeft een groot netwerk van bedrijven in haar kennissenkring en kan daardoor mensen gepast plaatsen, zoals de 44-jarige Mohammad Halabi die nu twee jaar in Nederland is. ,,Ik was landmeter in Syrië”, vertelt hij. ,,Je bent dan aan het meten om wegen te maken, om spoorlijnen, kanalen en beken aan te leggen, om kaarten te maken, om huizen te bouwen.”

Faber en Halabi zitten in Heeze in het kantoor van Arthur Maassen, eigenaar van het bedrijf Maatvoeren & Landmeten. Maassen praat direct mee met Halabi. ,,We moeten veel weten: van het riool, van wegen. Alles wat je ziet is een landmeter aan het meten geweest.” Een echte opleiding tot landmeter bestaat niet, zegt Maassen. Daarom is hij gewend zijn eigen personeel op te leiden. En tegen Halabi: ,,Ik ben geïnteresseerd in jou omdat je landmeter bent. Ons streven is dat je bij ons in dienst kan komen.”

Maar eerst gaat Halabi voor een halfjaar twee dagen per week stage lopen om zijn taalvaardigheid te verbeteren, naast de inburgeringslessen die hij volgt. ,,Sinds april ga ik naar school. Op maandag, dinsdag en donderdag van 9 tot 12 uur.” Arthur: ,,Dan kan hij meteen komende woensdag en vrijdag mee.”

De taalstages zijn voor migranten niet alleen een goede manier om hun taalvaardigheid te verbeteren, het geeft hen ook de gelegenheid kennis te maken met de manier waarop er in Nederland gewerkt wordt. Met name culturele verschillen kunnen een behoorlijk struikelblok vormen. ,,Het arbeidsethos van Eritreëers strookt bijvoorbeeld niet met onze cultuur”, legt Faber uit. ,,Zij zijn heel afwachtend, heel beleefd. Ze steken hun kop niet boven het maaiveld uit. Dat is hen met de paplepel ingegoten. Maar het is het tegenovergestelde van wat wij willen zien op de werkvloer.”

Irritatie

Die culturele verschillen kunnen voor misverstanden en irritatie op de werkvloer zorgen. Soms heeft het tot gevolg dat de nieuwkomer zijn draai niet goed kan vinden. Iemand die daar als geen ander over kan meepraten is de 42-jarige Haitham Hassan Babekir, die in oktober 2012 vanuit Soedan naar Nederland kwam.

Volledig scherm
Haitham Hassan Babekir © Manon van den Brekel

,,Nederlanders praten veel met elkaar op het werk, terwijl je in Soedan je werk in stilte doet”, vertelt Babekir. ,,En in Soedan moeten jonge mensen respect tonen tegenover oudere mensen. Je mag oudere mensen niet in de ogen kijken, het is beter om geen grapjes te maken tegenover ze en je moet niet te hard tegen ze spreken. Hier is dat helemaal anders.”

Babekir werkte in Soedan als hydrauliek monteur aan zware machines, zoals landbouwmachines. In mei 2016 begon hij met een stage bij metaalbedrijf Van Lierop in Heeze. ,,In het begin keek ik mensen niet aan, ik praatte ook zacht. Tegen mij werd toen gezegd dat mijn werk goed was, maar mijn gedrag niet. Mij werd gezegd: ‘De mensen accepteren jou niet want het lijkt alsof je geen contact wil.’ Het was heel moeilijk voor mij om me aan te passen en het kostte ook tijd om te wennen aan de omgangsvormen. Maar ik heb het uiteindelijk wel geleerd en ik heb ook uitgelegd waarom ik mensen niet aankeek. Nu heb ik goed contact met iedereen.”

In februari heeft Babekir een contract gekregen bij Van Lierop, waardoor hij en zijn gezin uit de bijstand zijn. Als het aan hem ligt, is deze baan nog lang niet het eindpunt van zijn carrière. ,,Ik wil een masterprogramma werktuigbouwkunde volgen, over een aantal jaren. Mijn bachelordiploma werktuigbouwkunde uit Soedan is al gevalideerd. Nu moet ik alleen nog mijn Nederlands verbeteren.”

In samenwerking met indebuurt Eindhoven