Volledig scherm
Klaasje Douma voor het kasteel in Heeze dat haar inspireerde voor haar studie. © FotoMeulenhof

Brabantse adel: Eenvoudige adel, meer kunnen we er niet van maken

De Brabantse adel is van huis uit eenvoudig, een nogal bij elkaar geraapt gezelschap ook. Én: een Bossche kliek. Sorry, maar meer kan Klaasje Douma uit Heeze er ook niet van maken. Dertien jaar lang deed ze studie naar alle Brabanders met bloedgroep blauw. Conclusie: de keuze van Koning Willem I was 'niet zo gelukkig'. Vijfde en laatste deel over de Brabantse adel.

Adel, we doen er best gewichtig over. Kunnen al die Brabantse baronnen in deze zomerrubriek wel roepen: 'Nee het is niets om je voor op de borst te kloppen' (Wim de Constant Rebeque) of: 'Anno 2017 heeft zo'n titel geen enkel functie' (Sammy van Tuyll van Serooskerken). Maar op de foto staan ze toch maar mooi geportretteerd voor hun fraaie landhuis of kloek kasteel. Op René van Voorst tot Voorst na dan, die werkt gewoon op de heftruck bij de Sligro.

Brabantse adel, het blijkt een nogal bont en lastig te duiden gezelschap. Dat is precies waarom Klaasje Douma (63) uit Heeze een diepe duik nam in archieven en achtergronden van alle Brabanders met bloedgroep blauw. ,,Ik constateerde dat het braakliggend terrein was. Ik wist er zelf ook niets van. Er waren wel wat plaatselijke studies maar een overall beeld was er nooit gemaakt. Zelfs geen inventarisatie van wie er in Brabant nu eigenlijk allemaal met een adellijke titel door het leven gingen."

LEES OOK:
Brabantse adel: De baron werkt nu bij de Sligro
Brabantse adel: Nuchtere baron van kasteel Heeze op troon van Ikea
Brabantse adel: 'Gezag? Nee, dat hebben we niet'
Brabantse adel: Het is het land dat je roept

Ontluisterende conclusie

Dus begon Douma voor haar promotie-onderzoek aan de Tilburg University zelf maar te spitten. Het zou een zoektocht worden van dertien jaar met als opbrengst een proefschrift van 540 bladzijdes (zonder bijlages) en een inventarisatie van in totaal 395 adellijke mannen uit 129 geslachten. Met aan het eind die ietwat ontluisterende conclusie: ,,De Brabantse adel is een nogal bij elkaar geraapt gezelschap. Veelal eenvoudige adel. Voor een aantal families geldt dat ze een clubje omhoog gevallen burgers waren." Sorry, maar meer kan doctor Douma er na haar promotie ook niet van maken. En dat wil ze best uitleggen. We kunnen langs komen.

Kasteel Heeze

Onderweg naar Heeze, rijst er een vermoeden. Promoveren en je op de provinciale baronnen en jonkheren storten, wil je je dan verheffen, net als de onderzochte edelen? Geenszins het geval. Thuis in haar hoekwoning blijkt Douma vooral van de nuchtere soort. Eerder eenvoud dan elitair. Ze werkte onder meer bij Philips in de automatisering en hield zelf vrije schijfruimte over om in de avonduren een studie op te pakken. ,,Ik dacht aan bedrijfseconomie maar het werd culturele wetenschappen." Voor haar scriptie koos ze een onderwerp dichtbij huis: het dagelijkse leven in Kasteel Heeze, bij haar om de hoek. ,,Ik kwam er dagelijks langs, keek vaak niet op of om. Tot dat ik op zoek was naar een mooi cultureel onderwerp. Dan ligt in Heeze het kasteel voor de hand. Ik wilde achter de muren kijken. De geschiedenis van de adel gaat voor negentig procent over mannen. Die bekleedden de openbare functies. Door binnen te kijken en het alledaagse gezinsleven te bestuderen, kon ik ook schrijven over de bewoonsters, de freule Ursula en haar moeder Catharina van Westreenen."

Identiteit

In de archieven die ze raadpleegde, ontdekte ze volop hiaten als het ging over adellijke families op Brabantse bodem. En zo had ze na haar scriptie niet alleen de smaak, maar ook een onderwerp voor haar promotieonderzoek te pakken. De centrale vraag die ze zichzelf stelde, was: heeft die groep Brabantse adel een eigen identiteit ontwikkeld? Want als groep hadden ze geen gezamenlijke geschiedenis. En dat had een reden.

Brabantse bestuurders

De periode waarop ze zich richtte, kwam niet uit de lucht vallen. Haar startpunt voor de studie valt samen met het moment dat 18 Brabantse families in 1814 werden opgenomen in de adelstand. Het is Willem I die bij zijn aantreden als vorst van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, op zoek gaat naar Brabantse bestuurders. Om die aan zich te binden, maakt hij ze adel. ,,Voor die tijd was Brabant een zogeheten generaliteitsgebied van de Zeven Verenigde Provinciën. We hadden geen autonomie en geen vertegenwoordigers in de Staten Generaal. Bij gebrek aan officiële functies, was zo'n beetje de hele katholieke adel uit de provincie vertrokken."

Er was wel wat protestantse adel, maar die had vooral bezittingen in de provincie, maar leefde hier vaak niet. Dus was het volgens Douma nog best lastig zoeken voor de kersverse koning. ,,De families moesten aanzienlijk zijn, geworteld in de provincie, bezittingen in Brabant hebben en leven in zeker welstand." Of iets korter en recht voor zijn raap: ,,Het mochten geen klaplopers zijn." De uiteindelijke selectie van de Nederlandse vorst noemt ze diplomatiek 'niet zo gelukkig'. ,, Het waren vooral oudere mannen, soms zonder nakomelingen." Dat schoot volgens Douma niet zo op, ze namen na korte duur hun vers verworven status mee het graf in.

Stevig stelletje

De Brabantse bobo's (met o.a. Van Bylandt en Van Tuyll van Serooskerken maar ook alledaagser: De Smeth en Trip) die Koning Willem I kon presenteren, vormden de Ridderschap van Noord-Brabant. Een stevig stelletje met behoorlijk wat politieke en bestuurlijke invloed. Van korte duur weliswaar, want bij de invoering van de nieuwe grondwet in 1848 (Thorbecke), moest het verder als vooral ceremonieel netwerk-clubje voor de Brabantse adel. Vandaag de dag zijn er nog zo'n 45 leden die jaarlijks in rokkostuum bijeen komen rond een Bourgondisch gevulde tafel.

Wat na die eerste lichting van 1814 nog van belang is volgens Douma, is dat families vanaf die tijd zelf een verzoek in moeten dienen om verheven te worden in de adelstand. ,,Dan moest er aangetoond worden hoe aanzienlijk je was als familie. Dat ging bijvoorbeeld om bestuurlijke functies van voorvaderen en bezit van onroerend goed in Brabant." De Hoge Raad van Adel bracht advies uit aan de Koning over de zogeheten rekesten.

Van Lanschot

In het proefschrift van Douma kom je mooie lijstjes tegen. Zo slaagt de familie De La Court in 1823 met vlag en wimpel met onder meer de volgende toelichting: volgens bericht heeft de rekestrant sinds 1769 aanzienlijke functies bekleed en een goed huwelijk gesloten, maar de familie is burgerlijk. Afvallers zijn er ook. Een aansprekende naam blijkt niet genoeg. De Zinnicq Bergmanns vangen in 1856 bot. Reden: verzoek om verheffing afgewezen: noch de oudheid van het geslacht noch de verdiensten van de vader van rekestrant en rekestrant zelf geven hiertoe aanleiding. Kapitaal of aanzien blijkt ook niet doorslaggevend: de Van Lanschots blijven in 1927 zonder titel.

Geen adel en dus geen aandacht van onderzoekster Douma. Die wroet juist in de onderlinge relaties van al die edellieden. Wie trouwt er met wie? Wie gaat er met wie om? Een soort wetenschappelijk Stan Huygens Journaal maar met als hoger doel, de identiteit van de Brabantse adel bloot leggen. En wat blijkt: ,,Die katholieke Brabantse adel bouwt een heel huwelijksnetwerk. Om de invloed uit te breiden en om erfenissen bijeen te houden. Er werd ook getrouwd tussen neef en nicht om er voor te zorgen dat het familiebezit niet zou versnipperen." Die huwelijken bleken nogal solide. In haar hele onderzoek komt ze maar drie scheidingen tegen. Men bleef bij elkaar en het familiebezit ook.

Bossche kliek

En dan is er nog iets. Ras-Tilburgers, chauvinistische Eindhovenaren of trotse inwoners van Breda willen het misschien niet horen, máár: de Brabantse adel blijkt volgens Douma een behoorlijke Bossche kliek. Den Bosch was het bestuurscentrum. Veel families hadden behalve hun buitens een huis in de stad. Ze kwamen bijeen in de sociëteiten als Casino, De Zwarte Arend en Amicitia. ,,Een mannen-aangelegenheid. De dames komen er bekaaid vanaf. Die deden alleen mee op de dansavond."