Volledig scherm
Kleine stallen hebben plaatsgemaakt voor grote industriële complexen waar enorme aantallen dieren worden gehouden. © Robert Vos

Bescherm de burgers en stop het 'boerenkunstje'

Opinie - pollVroeger kon het wel eens landelijk ruiken in de buurt van veehouderijen. Nu zitten burgers in vee-regio's vrijwel altijd in de stank. Gert van Dooren, Jinke Hesterman, André Vollenberg en Geert Verstegen schreven deze bijdrage namens Max5odeur, een werkgroep van burgers in het buitengebied.

Als je op het platteland woont en je hebt intensieve veehouderij in je omgeving, komt de wind vrijwel altijd uit de verkeerde hoek. Want in de vee-regio's in Brabant, Limburg en Gelderland zit het ramvol. En op het platteland gelden andere normen dan op een bedrijventerrein. De vee-industrie mag harder stinken. En niet zo'n beetje.

Tja, als je kiest voor buiten wonen, hoort dat erbij. Maar de meeste burgers hebben hier niet voor gekozen. Ze zijn ooit op het platteland gaan wonen toen daar nog boerderijen stonden. Bedrijven waar het wel eens landelijk kon ruiken. Sindsdien is er geen burgerwoning bijgebouwd in het buitengebied. Doordat agrarische bedrijvigheid via de reconstructiewet voorrang kreeg op het platteland, werd alles anders.

Poll

Als je kiest voor buiten wonen, hoort de landelijke geur er gewoon bij

  • Eens (84%)
  • Oneens (16%)
5397 stemmen

Tekentafel

De vroeger circulaire boerderijen groeiden uit tot megastallen. Kleine stallen maakten plaats voor grote industriële complexen. De bewoners hebben daar nooit iets in te kiezen gehad. Op de tekentafel van de beleidsmakers bestonden ze niet eens. Ze wonen er vaak omringd door duizenden dieren. En de stank is er altijd. En het ergste: je kunt je er niet voor afsluiten. Je kunt niet de andere kant op ruiken.

Er wordt veel gemopperd over stank. Maar er worden relatief weinig klachten ingediend. De ervaring van de meeste klagers is, dat met hun klacht meestal niets gebeurt. De overheid registreert de klacht en daarmee is de kous vaak af. Want een klacht is subjectief, kan alleen met kostbare methoden geverifieerd worden. Aan de andere kant is de geur die een bedrijf uitstoot objectief. Althans geobjectiveerd. De overheid heeft in theorie berekend hoeveel geur door X beesten in staltype Y met luchtwasser Z uitgestoten wordt. Deze 'geur-vanachter-het-bureau' is de emissie die vergund is aan een veebedrijf.

Tussen de stank in de neus van de burger en de berekende geur in de vergunning zit een spanningsveld. Daar botst beleving met regelgeving.

Neus

Eerdere rapportages over luchtwassers die domweg niet geplaatst zijn, niet aan staan of gebrekkig functioneren, sterkten de burgers in hun overtuiging dat hun neus het vaak bij het rechte eind heeft. Recent zijn ze daarin gesteund door onderzoek van Wageningen Universiteit. Daarin wordt geconcludeerd dat een bepaald type luchtwasser, de combiwasser, in de praktijk nog niet een derde of de helft van de prestatie levert die hij volgens de vergunning zou moeten leveren.

Na zo'n onderzoek denk je dat je klachten eindelijk wél serieus genomen zullen worden. Maar de burger komt bedrogen uit: de vee-industrie mag gewoon de vergunde rekengeur blijven uitstoten. En stallen die al wel vergund zijn, maar nog niet gebouwd zijn, mogen gewoon neergezet worden.

Er verandert dus niets aan de deken van stank die over het platteland hangt. Je zou in zo'n situatie minder dieren kunnen toestaan, maar dat is voor dit kabinet geen optie. De papieren werkelijkheid wordt door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat wel gecorrigeerd. Want de machtige vee-lobby wil dringend antwoord op de vraag wat nu nog van de toegezegde uitbreidingsrechten overblijft. Dus wordt over en weer druk gerekend. En in goed overleg wordt de emissiefactor van die rammelende luchtwassers aangepast. De boeren weten gelukkig weer waar ze aan toe zijn.

Lichtpuntje

En de burgers ook. Met de aanpassing van de emissiefactor komen zij van de wal in de sloot. Veehouderijen met zo'n lekke luchtwasser hebben, doordat de emissiefactor veranderd is, een veel grotere emissieruimte gekregen. Hun vervuilingsrecht is vergroot. En dan is niet zo heel veel boerenslimheid nodig om vervolgens een beroep te doen op het 'boerenkunstje' dat bekendstaat als de 50/50-regeling. Deze regeling komt er op neer dat, wanneer een bedrijf iets doet aan de overbelasting met geur, de helft daarvan gebruikt mag worden voor nieuwe uitbreiding. Door een Kafka-achtige regeling krijgen veebedrijven dankzij een luchtwasser die het maar half doet, uitbreidingsruimte cadeau.

De buurman in de burgerwoning beseft dat hij, áls hij zijn huis nog ooit wil verkopen, overgeleverd is aan zijn buurman-boer. Want als je een gewone koper warm wilt maken voor zo'n met odeur-eenheden beladen woning-met-nog-meer-stallen-in-het-vooruitzicht, moet er onderhand geld bij. Er is een klein lichtpuntje: de rechtbank in Gelderland heeft onlangs een veehouder aansprakelijk gesteld voor de belasting van zijn buren met stank boven de wettelijke norm uit de Wet geurhinder en veehouderij. Dat hij daarvoor een vergunning had, deed niets af aan zijn aansprakelijkheid. Hij wist dat hij overlast veroorzaakte.

Boerenklucht

Meer omwonenden zouden omliggende veehouders aansprakelijk kunnen stellen. Maar het kan simpeler, als met een spoedwetje een streep gehaald wordt door deze 50/50 boerenklucht. En als bij de behandeling daarvan het boerenverstand in onze Tweede Kamer de overhand krijgt, komt men vast tot de slotsom dat waar technologie en regelgeving structureel tekortschieten, er maar één oplossing is die dit probleem bij de bron aanpakt: minder beesten!