Volledig scherm
Jongeren van FNV Young & United protesteerden op 28 augustus bij het ministerie van SZW waar ze die middag met minister Wouter Koolmees in gesprek gingen. © Martijn Beekman

Bied flexwerkers perspectief

OpinieDe toegenomen flexibilisering van arbeid moet een halt worden toegeroepen. Het is de hoogste tijd voor een aanpak die kwetsbare werknemers beschermt. Dat schrijft Jos Verhoeven, algemeen directeur van de Start Foundation, in deze bijdrage.

De kloof tussen slecht betaald flexibel werk en goed betaalde banen wordt steeds groter”, constateert Leo van der Geest van onderzoeksbureau Nyferin het ED van 7 maart. Dit is mede het gevolg van de opkomst van de zogeheten platform bedrijven. Maar de trend is ook het gevolg van de zwaar toegenomen flexibilisering van arbeid in het algemeen in Nederland. We zijn koploper in Europa want nu al werkt één op de vier werknemers op een flexibel contract. Dat is niet zo erg als je een werkstudent bent of een goedbetaalde specialist, maar een groot deel dit flex-leger bestaat uit eenvoudige infanteristen die blijvend op of onder de armoedegrens schommelen. Of die met twee of meer banen rond moeten zien te komen. Ruim 600.000 mensen volgens de laatste cijfers van Nyfer. Wet- en regelgeving zijn hier mede debet aan. Werkgevers zijn huiverig voor vaste contracten voor relatief makkelijk vervangbare mensen. Ze moeten immers doorbetalen bij ziekte en het ontslaan van mensen met een vast contract is in de regel een kostbare aangelegenheid. De overheid reageert zoals gebruikelijk met relatief kleine aanpassingen van de regels. Minister Koolmees wil met zijn voorstel Arbeidsmarkt in Balans bijvoorbeeld de proeftijd voor flexcontracten verlengen en een hogere WW-premie opleggen. Een bescheiden aanpassing die naar verwachting een navenant bescheiden resultaat zal opleveren.

De vakbonden is de dynamiek van de arbeidsmarkt kennelijk ontgaan. Zij blijven maar tegen de wind in pissen met de roep om meer vaste contracten. Een achterhoede gevecht. In het zelfde artikel geeft FNV  vakbondsbestuurder Zakaria Boufangacha de moed vrijwel op als hij toegeeft niet erg hoopvol gestemd te zijn als het om de toekomst van de werkende armen gaat. Dan is de slag al verloren voordat het gevecht begonnen is.

Nieuw strijdplan

De moed opgeven is het laatste wat we moeten doen als het om deze mensen gaat. De eerste kwaliteit die nodig is, is durf. Die aan Churchill toegeschreven wijsheid geldt ook hier. Een nieuw strijdplan maken, dat is wat er nodig is. En dat kan. Ik pleit voor een meer fundamentele aanpak die zowel de kwetsbare werknemers helpt, als ook de ondernemers die van goede wil zijn, maar geen rompslomp en risico’s willen. De vakbond is m.i. de aangewezen partij om het initiatief te nemen een nieuw arbeidsmarktintermediair op te zetten. Een maatschappelijk flexbedrijf dat mensen op fatsoenlijke condities duurzaam in dienst neemt en naar het werk toebrengt. Dat door volume en massa macht creëert om te onderhandelen met werkgevers die werkkrachten nodig hebben.We moeten kwetsbare mensen niet aan grillen van de markt overlaten zoals nu gebeurt. En als we het helemaal goed willen doen nemen we ook het leger werkzoekenden op in dit construct. Zo creëren we een potentieel van 1,5 tot 2 miljoen mensen.

De overheid werkt mee door uitkerings-, looncompensatie- en re-integratiebudgetten in te brengen als startkapitaal. Ook de fiscaliteit op deze arbeid moet onderwerp van gesprek mogen zijn. We geven immers nu miljarden uit om het falen van de markt te compenseren. Ik zie liever dat we preventief investeren. Dat is op den duur niet alleen goedkoper, maar dan bieden we mensen weer perspectieven. Natuurlijk schoppen we dan wat heilige huisjes omver: we zagen aan de poten van de commerciële arbeidsbemiddelaars; we gaan een monopolist creëren; we gaan het DNA van de vakbond muteren, we vragen de overheid zeggenschap uit handen te geven enzovoorts. Radicaal is het, maar wie gaf er vijf cent voor Churchill in de meidagen van 1940? Kortom, ik mag zo kort na carnaval misschien de kolder in de kop hebben, maar ik zet liever de polder op zijn kop.