Volledig scherm
Jos Kessels. © Joost Hoving

Duizelig van het blowen

ColumnHet eeuwige van het tijdelijke drong zich op, terwijl ik langs een begraafplaats fietste, waar iedereen nog braaf de grafrechten betaalde. Tegen het muurtje naast de ingang leunden een paar mannen, die om de hoek wiet gekocht hadden in de coffeeshop en nu dampen verspreidden, waar de doden misschien niets dan goeds over spraken, al waren ze moeilijk te verstaan. 

Tegenover het kerkhof stond een huis, dat bewoond werd door de mannen en dat ze ongetwijfeld zouden kunnen vinden, in welke staat ze ook verkeerden. De woning stond vlakbij het huis, waar ik hartje winter in de sneeuw ooit uitgegleden was en met mijn hoofd tegen de muur van de woonkamer bonkte was, in het gezelschap van mijn toen nog erg kleine dochter. Bezorgd had ze me overeind zien kruipen, net als de vrouw, die na de klap verschrikt de voordeur opende. Of het ging, vroeg de vrouw.  Harde kop, zei ik en liep voorzichtig verder met mijn dochter. 

Ik had al op zoveel verschillende plekken mijn kop gestoten, dat ik zelf niet zo snel meer schrok als het gebeurde. Ik had het idee dat de blowende mannen ook harde koppen hadden, aan hun hoofden te zien. Ik had maar twee keer in mijn leven geblowd en allebei de keren was ik erg duizelig geworden, omdat ik ook te veel gedronken had. 

Quote

De politie reed als een soort bezemwagen achter me aan.

Nieuwjaarsnacht lang geleden was een van de keren geweest, na bezoek aan een feestje van een vriend. Ik fietste van de ene weghelft naar de andere door het centrum, waarna de politie als een soort bezemwagen achter me ging rijden. Toen ik van de fiets op mijn kop viel, stapten de agenten uit en hielpen me overeind. Of ik nog wist waar ik woonde? Ik noemde het adres, dat nog klopte ook. Dat vond de politie voldoende informatie en hield het wat mij betreft voor gezien, waarna ik verder doolde door de nacht, totdat ik het opgegeven adres bereikte. 

Ik wist niet of de blowende mannen bij de begraafplaats ook dat soort ervaringen hadden gehad, maar ze hoefden niet ver te gaan, welke kant ze ook opgingen. Vlakbij mijn appartement liep een dame, waar de doden voor uit hun graf zouden kruipen, als ze niet zo dood waren geweest. Ik vroeg me af naar wie of wat ze op weg was. De coffeeshop, zo bleek. Daar was toch meer leven dan ik dacht.