Volledig scherm
© Thinkstock

Jos Kessels: Rockin’

Dinsdag de 16e augustus 1977 was geen dag als alle andere. Ik was net terug van een verregende kampeervakantie met drie meisjes in Engeland en Schotland. Dat klonk spannender dan het was, al zat er dan mijn grote liefde van die jaren bij.

Ik stond op het punt naar het tweede jaar van de bibliotheekacademie te gaan en dat was spannender dan het klonk.

De bibliotheekacademie was toen nog een mekka voor wie van rare lui, poëzie, drank en meiden hield.

Ik zat inmiddels sinds kort in een klein studentenhuis, met drie andere jongens uit mijn dorp.

Tevoren had ik boven een kroeg tegenover Rockin’ Louis gewoond, die later zou uitgroeien tot een levende legende in het Tilburgse studentenleven.

Rockin’ Louis deed, meestal ongevraagd, Elvis-imitaties.

Hij stapte dan midden in de nacht zonder kloppen mijn kamer binnen, inspecteerde de biervoorraad, nam op zijn witte rock-’n-rollschoenen de klassieke wijdbeense Elvis- pose aan en zong Don’t be cruel, waarna hij het eerste flesje openmaakte.

Wij hadden vroeger bij ons thuis in Nederweert een heleboel Elvis-singletjes, maar het was Rockin’ Louis, die Elvis voor me tot leven bracht.

In het begin nam Rockin’ Louis nog zijn eigen Elvis-platen mee naar mijn kamer, maar daar zat zoveel bier en kots op, dat mijn installatie hoorbaar verslechterde.

Daarom kocht ik een paar Greatest Hits-elpees van Elvis, om te voorkomen dat de King en Rockin’ Louis samen mijn pick-up molden.

Die avond van de 16e zat ik ’s avonds alleen in mijn nieuwe studentenhuis, toen de radio meldde dat Elvis dood was.

Ik liep naar de deur om bij Rockin’ Louis aan te kloppen, maar besefte ineens dat hij niet meer tegenover mij woonde.

Even overwoog ik de fiets te pakken en naar Rockin’ Louis toe te rijden, maar hij zou vast ergens in de stad bezopen op de grond liggen, nog ontredderder dan anders. Ik was inderdaad eenzaam die nacht.

En Elvis en Rockin’ Louis ook.