Volledig scherm
Een goed hechtingsproces geeft een kind zelfvertrouwen. © Thinkstock

Met handicap lijkt risico hechtingsprobleem groter

OpinieDeze bijdrage is geschreven door Yvette den Brok, kindercoach uit Eindhoven. Het hechtingproces tussen ouder en kind - in de eerste drie levensjaren - zorgt ervoor dat het kind zijn ouders ziet als veilige haven. Vanuit die 'veilige haven' kan het kind de wereld om zich heen ontdekken. Het kind weet immers dat er altijd een ouder in de buurt is waar het bij terecht kan voor hulp en bescherming. Iemand die als kind een goed hechtingproces heeft doorgemaakt, heeft een gezond zelfvertrouwen, is in staat om vriendschappen op te bouwen en heeft vertrouwen in anderen. Dit zijn vaardigheden die zowel op de werkvloer als privé veel pluspunten opleveren.

Tijdens mijn hbo-studie kindercoaching had ik al een vermoeden dat als een kind vóór, tijdens of vlak na de geboorte een lichamelijke handicap oploopt, er een verhoogd risico op hechtingsproblemen kan zijn. Want als je een lichamelijk gehandicapt kind krijgt zal je er ontzettend veel van houden, maar tegelijkertijd is een kind met een lichamelijke handicap niet waarvan je droomde.

Als ouder zal je daardoor een soort rouwproces doormaken en je kind voelt dat feilloos aan. De ene ouder weet hier beter mee om te gaan dan de andere, maar er bestaat géén ouder die zijn of haar gevoelens van verdriet en rouw ongedaan kan maken. Het is dus niemands schuld, maar de kans dat het hechtingsproces erdoor verstoord wordt, is in mijn ogen reëel.

In de tijd dat ik werkte als emancipatiewerker voor mensen met lichamelijke handicaps, was ik al onderzoeken tegengekomen die lieten zien dat mensen met een aangeboren of vroeg opgelopen lichamelijke handicap vaker gedragsproblemen hebben, moeilijker vriendschappen sluiten, moeilijker betaald werk krijgen enz. dan mensen die na hun hechtingsperiode een lichamelijke handicap hadden gekregen.

Het was voor mij zo klaar als een klontje: er moet worden onderzocht of kinderen met lichamelijke handicaps een aantoonbaar verhoogd risico op hechtingsproblemen hebben. Als dat zo is moet worden doordacht hoe het hechtingproces kan worden ondersteund, zodat deze kinderen een eerlijke kans in het leven krijgen. Een professor van de Vrije Universiteit wuift mijn vooronderstellingen weg. Hij stelt dat een lichamelijke handicap géén extra risico op een verstoorde hechting vormt, omdat nooit is bewezen dat het wel zo is. Ik wil echter een bewijs dat het pertinent niet zo is.

Lezend en pratend ontdekte ik dat méér aan de hand is dan ik dacht. Ik las dat baby's door een lichamelijke handicap noodgedwongen op een andere manier contact proberen te maken dan andere baby's en dat dat niet altijd begrepen wordt. Het meest sprekende voorbeeld vind ik dat van een blinde baby. Als de ouders/verzorgers naar hem toekomen, wendt hij zijn gezicht van hen af. Waarom? Hij hóórt hen komen dus hij draait zijn oor naar hen toe. Logisch, maar als ouder/verzorger moet je het maar begrijpen.

Ik kwam veel meer van zulke voorbeelden tegen. Ik zag hoe jonge ouders in één klap in een medische wereld terecht kwamen, waar zij eerder geen weet van hadden en waarin ze keuzes moesten maken en mondig moesten zijn.

Als je je dit alles realiseert, hoe kun je dan volhouden dat er geen extra risico is op hechtingsproblemen? Ik wil hier binnenkort graag met geïnteresseerden over van gedachten wisselen. Belangstelling? Neem gerust contact met me op.