Volledig scherm

Weinig veranderd na de Bolderkar-affaire

Onlangs diende één van de slachtoffers van de zogenoemde Bolderkar-affaire een klacht in tegen de Nederlandse staat (ED mei). En terecht. Want in 1988 was zij op basis van uitermate ondeugdelijk onderzoek als kind uit het ouderlijk huis geplaatst omdat ze seksueel misbruikt zou zijn door haar vader. Deze ernstige beschuldiging was het gevolg van de hysterie bij bepaalde hulpverleners en instanties die zich door de psychologe Nel Draaijer in de luren hadden laten leggen.



Draaijer was op cursus geweest in Amerika en had daar geleerd dat je met anatomisch correcte poppen (met een piemeltje en een spleetje) prima kon vaststellen of een kind al dan niet seksueel misbruikt was: wist een kind dat je dat piemeltje in het spleetje kon stoppen, dan was het raak: incest! Volgens Draaijer was op deze manier overtuigend aangetoond dat één op zes meisjes in Nederland seksueel misbruikt was in de vroege jeugd.

Het betreffende slachtoffer wil met haar aanklacht bereiken dat dergelijke praktijken, onderzoeken en voorbarige conclusies nog ooit kunnen voorkomen.

Ik moet haar bij voorbaat teleurstellen. Want nog steeds wordt in beleidsstukken (onder andere van de provincie Overijssel) die handelen over de aanpak van bijvoorbeeld kindermishandeling kritiekloos verwezen naar Draaijers 'onderzoeksresultaten'. Nog steeds vliegen astronomische getallen je om de oren als het gaat om kindermishandeling, ouderenmishandeling, jongerenmishandeling, partnermishandeling et cetera.

Komen deze zaken in de praktijk eigenlijk wel voor? Natuurlijk komen ze voor en daar moet ook beslist op worden ingegrepen. Maar niet ten koste van elke prijs en/of in het wilde weg. Je kunt niet pakweg tien personen aanklagen vanuit de gedachte: 'Jammer van die negen mogelijk onschuldigen, maar dan heb ik in ieder geval zeker die ene schuldige te pakken'. Dat is principieel onjuist bij dergelijke aangelegenheden.


Er is toen in 1988 erg veel stof opgewaaid, veel ruzie gemaakt tussen de believers en de non-believers (in de poppenmethode en het veelvuldige seksuele misbruik), maar er is nooit iemand echt verantwoordelijk gehouden voor de hele gang van zaken. De hulpverlening niet en justitie niet. Justitie liet toen desgevraagd weten dat 'als jullie hulpverleners het niet weten, hoe moeten wíj het dan weten?' En dat moet je tegen een bepaald soort hulpverleners natuurlijk niet zeggen, want dat springt ogenblikkelijk vanuit een razend fanatisme of uit geld- en publiciteitsgeilheid, of alles bij elkaar, in het gapende gat van de onwetendheid.

Hoe kan zoiets gebeuren? Op de eerste plaats natuurlijk door het blindmakende fanatisme van de betreffende hulpverlener, of hulpverlenende instantie. Succes verzekerd, want bij elke heksenjacht wordt altijd wel een heks gevonden. Op de tweede plaats door het verschijnsel dat zo mooi 'gedeelde verantwoordelijkheid' genoemd wordt. Wat er in de praktijk dus op neerkomt dat helemaal niemand verantwoordelijk is. En op de derde plaats natuurlijk door de volstrekt ongefundeerde notie als zouden psychologie en hulpverlening wetenschappelijk gefundeerde disciplines zijn. Een erg gevaarlijk uitgangspunt, want dat zijn ze namelijk niet, ook nooit geweest, en zullen ze vermoedelijk ook nooit worden.

Hulpverlening is mensenwerk, vaak zéér intuïtief en daardoor uitermate vatbaar voor verkeerde al te subjectieve interpretaties en conclusies door oververhitte geesten die niet gehinderd worden door enige vorm van zelfkritiek.


Elke hulpverlener dient zich deze stand van zaken te realiseren en dus heel kritisch naar zijn eigen vakinhoudelijke denken en doen te kijken. Dáárvoor is hij namelijk naar de universiteit gegaan: om zijn eigen vooroordelen te herkennen en te erkennen, en daarvan afstand te leren nemen. Dat is in het geval van de Bolderkar-affaire niet gebeurd. Uit angst om voor dom, of naïef of zelfs gewetenloos aangezien te worden hield vrijwel iedereen zijn mond. Niemand wilde zijn vingers branden.

Met als gevolg dat er niet zoveel veranderd is sindsdien. Nog steeds zijn er hulpverleners die zonder blikken of blozen verklaren dat zij de enige waarheid bezitten en desnoods blind een juiste diagnose kunnen stellen. Nog steeds vinden er behandelingen plaats die voortkomen uit een fanatiek bijgeloof, dan wel een sterk overdreven geloof in eigen kunnen. Terwijl toch duidelijk is wat de werkelijke basis zou moeten zijn in de hulpverlening: een grote mate van bescheidenheid. En misschien nog wel het ergste van alles is dat niemand ooit zijn excuses heeft aangeboden…



- Dr. Jan Verhulst is klinisch psycholoog te Eindhoven.