Volledig scherm
Vakbonden pleiten bij minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken) voor een goed pensioen. © ANP

Rekenrente bij berekening pensioenen is arbitrair, het kan beter

OpinieEr is een manier om pensioenen niet langer afhankelijk te maken van de gekte op de financiële markten en de dubieuze opkoopprogramma's van de ECB. Dat betoogt emeritus hoogleraar economie in Groningen, Jan Oosterhaven, in dit ingezonden artikel.

Minister Wouter Koolmees heeft de korting van de meeste pensioenen een jaar uitgesteld, zonder iets te doen aan de oorzaak van de nog steeds dreigende kortingen: de veel te lage rekenrente. Waarom is die rente te laag en is er geen alternatief?

Je hebt als pensioenfonds je verplichtingen jegens premiebetalers en gepensioneerden tot in de verre toekomst je laatste huidige premiebetaler is overleden. En je hebt je huidige vermogen. Dan heb je een rekenrente nodig om die toekomstige verplichtingen terug te rekenen naar een dagwaarde nu. Je deelt vervolgens de dagwaarde van je vermogen door die dagwaarde van je verplichtingen en voilà: daar heb je de dekkingsgraad waar de hele politieke discussie om draait. Hoe lang mag je onder de 100 procent zitten voordat je moet korten?

Maar het is niet zo simpel en zo rechtlijnig als onze nationale boekhouders Klaas Knot en Jeroen Dijsselbloem suggereren. De rekenrente is gebaseerd op de rentes op onze staatsobligaties. Dat zou een 'risicovrije marktrente' opleveren en garanderen dat fondsen alle pensioenen kunnen betalen. Pensioenfondsen steken echter ten minste driekwart van hun vermogen in beleggingen met een hoger en onzekerder rendement.

Maar principieel belangrijker: wat weten we van de economie over 50 tot 80 jaar als de laatste pensioenen aan de huidige premiebetalers moeten worden uitbetaald? Niets! Voor zulke termijnen bestaan geen marktrentes, laat staan 'risicovrije'. Iedere rekenrente is theoretisch en arbitrair.

Sylvester Eijffinger en Lex Hoogduin vinden dat ook, maar dan omdat de staatsrentes kunstmatig laag worden gehouden door de jarenlange, gigantische opkoopprogramma's van de Europese Centrale Bank en de Amerikaanse Federal Reserve. Ruim veertig prominenten uit met name de pensioenwereld laten in een brief aan de Tweede Kamer weten dat ook zij de rekenrente te laag vinden. Zij pleiten voor het laten meewegen van het gemiddelde beleggingsrendement over de afgelopen tien jaar. Daar zijn andere economen het weer helemaal niet mee eens. Voor hen is de rekenrente heilig. Zij vinden dat je 'extra beleggingsrendementen pas mag uitdelen nadat ze zijn gerealiseerd'. Eerder uitdelen zou oneerlijk zijn tegenover de jongeren. Op één punt hebben ze gelijk. Het is een nul-som spel. Wat de ene generatie verliest wint de andere. Het sinds de financiële crisis van 2008 niet meer indexeren van de meeste pensioenen gaat ten koste van de ouderen en komt ten goede aan de jongeren.

Bij de maatschappelijke kosten-baten analyse van grote investeringsprojecten gaat het ook om heel lange termijnen en daarbij berekenen economen het 'interne rendement' van een project en beoordelen politici of ze dat hoog genoeg vinden om het project uit te laten voeren. Waarom gebruiken we die veel transparantere procedure niet ook bij de vraag of de pensioenen al dan niet geïndexeerd kunnen worden of zelfs gekort moeten worden?

Wat we dan doen is precies het omgekeerde van het met een arbitraire rekenrente terugrekenen van verplichtingen uit de verre toekomst naar een dagwaarde nu. We doen dan iets doen wat logisch aansluit bij waar het bij pensioenen om gaat: het vooruitrekenen van het huidige vermogen naar de toekomst waarin de pensioenen moeten worden betaald. Per pensioenfonds bepaal je op die manier het 'minimaal benodigde rendement' (MBR) om alle toegezegde pensioenen te kunnen betalen. Dit MBR kan vervolgens worden vergeleken met het behaalde gemiddelde fondsrendement en daarna kan worden beslist of dat verschil voorzichtigheidshalve tenminste 1, 2 of 3 procent moet zijn.

Het zou me niet verbazen als het MBR voor de meeste pensioenfondsen tussen de 1 en 2 procent ligt. Dat percentage moet dan worden vergeleken met de feitelijke rendementen, die voor de meeste fondsen in de afgelopen tien jaar tussen de 6 en 8 procent lagen. Dat verschil lijkt mij meer dan voldoende om zelfs het koopkrachtverlies, oplopend tot 20 procent, nog te repareren. Als dat niet gebeurt is nu al bijna zeker dat jongeren, als de babyboom is uitgestorven over vijftien tot twintig jaar, honderden miljoenen extra te spenderen hebben, waarvoor ze geen premie hebben betaald. Diefstal hoor ik ouderen roepen. Dat is wel erg cru, maar hoe moet je het anders noemen?