Volledig scherm
PREMIUM
© Natuurmonumenten Jan Kriek

Snoek als toppredator van de zoetwaterplas

ColumnNu ik dit stukje schrijf, bedenk ik dat ‘snoeken’ zowel een zelfstandig naamwoord is als een werkwoord. Een snoek is volgens Koenen een ‘vraatzuchtige zoetwatervis’. Als je hem probeert te vangen, ben je aan het snoeken. 

Een terecht werkwoord, want het is zweten om hem op de kant te trekken. Deze sterke zoetwatervis kan anderhalve meter lang worden. Ik ben zelf geen visser, dus daar ken ik de snoek niet van. Maar soms vindt er een onverwachte ontmoeting plaats. Ik zag wat turbulentie in een sloot nabij de beek. In het water lag een zware tak en daar net achter kwam woelend het water omhoog. Ik dacht eerst nog dat het met de kolking van het sterk stromende water te maken had, maar toen ik beter keek, zag ik ter plaatse een paar forse rugvinnen naast elkaar boven het water uitsteken.