Volledig scherm
Titus Brandsma © BD

Titus Brandsma krijgt eigen plantje in kloostertuin Megen

MEGEN - Standbeelden zijn er al in zijn steden Oss en Nijmegen. Nu krijgt pater Titus Brandsma, in 1942 vermoord vanwege zijn verzet tegen het nazisme,  ook een eigen plantje. In Megen waar hij zes jaar lang op het gymnasium zat.

Het wordt waarschijnlijk een zonnehoed (echinacea), vertelt de broeder met telefoondienst desgevraagd. Zeker is dat er een herdenkingsplant voor Titus Brandsma komt in de Hof van Lof, de tot wandel- en inspiratieplaats omgevormde binnentuin van het minderbroedersklooster in Megen. Vrijdag 26 april wordt het plantje onthuld.

Volledig scherm
De Hof van Lof in Megen. © Willem Quist

Titus Brandsma moet hier zelf gewandeld hebben. Nog wel als Anno Sjoerd Brandsma, een jongen uit het Friese Ugoklooster. Van 1892 tot 1898 was hij in Megen leerling aan het gymnasium van de minderbroeders franciscanen, om daarna zelf karmeliet te worden met kloosternaam Titus. 

Opgepakt en gedood

De rest is geschiedenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Brandsma als journalistieke priester de pen op tegen het nazibewind van de Duitse bezetters. Hij werd hiervoor opgepakt en gedood in concentratiekamp Dachau. 

In Oss, waar hij lang woonde, draagt een lyceum zijn naam en is Titus Brandsma in 2015 tot ereburger benoemd. In 1985 werd hij als martelaar door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. Verwacht wordt dat de huidige paus Franciscus hem binnenkort heilig verklaart.

Geen bordje

Bij het herdenkingsplantje in de Hof van Lof in Megen komt geen bordje te staan. Dat past niet bij het karakter van de wandeltuin, licht broeder Hans-Peter Bartels toe: ,,In het boekje met de beschrijving van de tuin gaan we wel uitleg geven.’’

  1. ‘Als een roze sprinkhaan tussen een hele kudde groene’
    Column

    ‘Als een roze sprinkhaan tussen een hele kudde groene’

    OSS - Hoewel mijn eigen eenmalige deelname aan de Kako, lang, lang, geleden, geen daverend succes was, had ik het geweldig gevonden als mijn kinderen wél van het kinderkampsoort geweest waren. Twee keer fietste ik een week lang met ze door het bos naar de plaatselijke variant, ze ijs, snoep, een overdosis Netflix en alles wat god nog meer verboden heeft in het vooruitzicht stellend, in ruil voor een beetje enthousiasme. Maar het werd niets. Jammer, begrijpelijk en herkenbaar: ook ik had me op kamp gevoeld als een roze sprinkhaan tussen een hele kudde groene.